zaterdag 13 augustus 2016

Mijn held is White, maar ik kies voor Harris

Ik probeer Te grijs zo simpel mogelijk te houden, vertelde ik een schrijvende vriendin. Ik vertel zoveel mogelijk chronologisch in de tegenwoordige tijd en flits zo weinig mogelijk terug. Mijn voorbeeld is daarbij de heel feitelijke  Robert Harris (An officer and a spy, 2013). Ik zou willen schrijven als Patrick White (Voss, 1953), die zich juist concentreert op de beleving. Maar wat White doet, zal ik nooit kunnen. 
Ze vond die keus moeilijk te begrijpen. Ze komt dan ook uit een familie van mensen die zichzelf grote taken stellen en die vervolgens voltooien. Ik kom juist uit een gezin dat twijfelde aan de eigen kracht en reactief was. Dat kan een verklaring zijn voor mijn pragmatische aanpak van Te grijs, waarvan ik spoedig complete scènes aan dit blog hoop toe te voegen.



Waarom White
Patrick White was de lastige zoon van een rijke schapenboer in Australië. Hij begon al vroeg te schrijven en kreeg in 1973 de Nobelprijs voor literatuur. Ondanks zijn immense succes als auteur betreurde hij het dat hij geen kunstschilder was. Ook leverde hij kritiek op de manier waarop de Nobelprijs werd toegekend. Verder was hij homoseksueel, maar schreef daar nauwelijks over.
White was een zoekend en twijfelend mens en die kenmerken benadrukt hij heel knap in zijn personages. Zijn bekendste werk, Voss (1957) gaat over een Duitse ontdekkingsreiziger die de outback van Australië wil verkennen. Voss gaat op bezoek bij de financier van zijn noodlottige expeditie, maar treft alleen diens nichtje Laura. Die erkent desgevraagd dat ze zelden het binnenland intrekt.
“Jammer dat u zich zo opsluit,” zei de Duitser. “Uw land is van grote subtiliteit.“
Met ruwe aandrang beschuldigde hij haar van de oppervlakkigheid die ze zelf vermoedde. Af en toe kon ze haar eigen stem horen. Ze was ook bang van het land waarvan ze, bij gebrek aan een ander, veronderstelde dat het het hare was
.
         
Gelaagde twijfel
Veel auteurs hebben over de zoekende mens geschreven, maar White is anders door de introductie van maar liefst drie niveaus van onzekerheid. Hij beschrijft in Voss een reis naar een onbekend gebied door personages die vervreemd zijn van zichzelf en hun omgeving. White zelf is de verteller, die analyseert wat er gebeurt, maar daarbij woorden als of en misschien gebruikt. Hij weet het zelf ook niet.
Het zal duidelijk zijn dat Voss een ingewikkeld boek is. Het is ook lijvig, alleen het bezoek aan de sponsor neemt al 28 bladzijden in beslag. Als ik de methode White op Te grijs toepaste zou het boek uitgroeien tot een pil van 600 pagina’s. Ik zou er tien jaar aan moeten werken. Dat zie ik mezelf niet doen. Ook mis ik simpelweg de inspiratie voor White’s geweldige situatieschetsen, waarvan hieronder een voorbeeld. Het gaat over de rustplek waar de ontdekkingsreizigers met hun lastdieren en vee op krachten kunnen komen.

Zwemmend in het gras
Het hoge gras was bijna droog, zodat een scherper gezucht van opsteeg als het waaide. De wind boog het tot tanige golven, met kammen waarop de laatste overlevenden der bloemen dreven, en verschrompelden en omlaag werden gezogen in de deining. Heel de dag zwommen de paarden en de koeien door die zee van gras. Hun buiken rolden en gorgelden. Heel de nacht bezatten de beesten zich aan dauw en gras, maar in de dromen van de mannen waren de golven van gras en de golven van slaap spoedig één geworden.

vrijdag 5 augustus 2016

Schrijven op je ideale plek, bijvoorbeeld op Lesbos

Schrijvers zijn in de luxepositie om voor werkzaamheden een ideale plek waar ook ter wereld te kunnen zoeken. De Fransman Alain de Botton (Proeven van liefde, 1993) houdt het sober: hij huurt een kantoorplek in de buurt, zodat hij thuis vrij is. Saskia Noort (Huidpijn, 2016) creëert vaak suspense in een afgelegen huis op het hippe Ibiza. Louis Couperus (Eline Vere, 1889) schreef graag in Rome, net als Wolfgang Goethe (Das Leiden des jungen Werthers, 1774). Deze voorbeelden kreeg ik van een betrouwbare informant, die mij ook wees op de schrijversverdieping boven Atheneum Boekhandel in Amsterdam waar onder andere de Israëliër Nir Baram (Goede mensen, 2010) te gast was.



Groetende bergbewoners
Omdat ik graag snuffel aan het leven van de Groten in het Vak, was ik heel blij toen mijn echtgenote voorstelde om een werkvakantie te houden. De bestemming was Agiassos, een dorpje in de bergen van Lesbos, een eiland dat toeristen hard kan gebruiken.
Van het vluchtelingendrama was niets te merken in het verstilde en vergrijsde Agiassos, waar een toerist nog wordt gegroet. ’s Ochtends werkten we er, mijn echtgenote binnen aan het enige normale tafeltje; ik zelf buiten met de benen gestrekt onder een kniehoog exemplaar, zittend op het cement van het dakterras en steunend tegen de cementen bank. Het was meestal fris en de zon scheen laag over de beboste bergen. Na korte tijd klonk het lied van de rijdende groenteman op uit de stegen. Dan had ik al een paar regels geschreven. Het verhaal kwam spontaan op, zoals een belevenis die je vertelt in een gesprek. Na vijf heerlijke en productieve dagen gingen we naar de noordkust van Lesbos. Daar begint de volgende scene.

Ontheemde Syriërs gezocht
De Turkse kust is vlakbij, Claudia denkt dat ze erheen zou kunnen zwemmen, qua afstand. De vluchtelingeninvasie heeft aan de Griekse kant trieste sporen achtergelaten, op het strand een hoop zwemvesten, aan de kustweg een verlaten opvangpost met Arabisch opschrift, in een natuurgebied een verwijsbordbord naar een verzamelpunt.
De ontheemden zelf zijn merkwaardig onzichtbaar. Eigenlijk zijn Claudia en Diederik blij dat hen de persoonlijke confrontatie met het oorlogsleed wordt bespaard. Als ze gaan vertrekken, knaagt er echter iets.
“We moeten toch gaan kijken bij het opvangkamp,” zegt Diederik. “Anders negeren we die ellende helemaal en dat klopt niet.”
Dus vertrekken ze extra vroeg richting vliegveld, zodat ze langs de vluchtelingenopvang kunnen rijden. De dauw staat nog op de voorruit, als ze de bagage inpakken. Over de bergen en de vlakte bij de binnenzee arriveren ze bij Moria, het dorp waar het kamp moet liggen. Ze wringen zich door de nauwe straatjes en zien eerst alleen de gebruikelijke groepjes Griekse bejaarden. Dan zien ze drie zwarte jongemannen, gespierd en goed gekleed. Verderop loopt weer een groepje en weer verderop nog een. Overal lopen Afrikaanse mannen, maar Arabisch ogende gezinnetjes zien ze nergens.
“Tja, leven in Afrika is natuurlijk ook geen feest,” zegt Diederik. Claudia is in verwarring, ze heeft onlangs een groot bedrag gedoneerd voor de gestrande vluchtelingenkinderen uit Syrië en nu dit. De weg naar het kamp is intussen onvindbaar en tenslotte kronkelen ze het dorp uit. Daar, langs de doorgaande weg, ontdekt Diederik een echtpaar, de vrouw zwaar gehoofddoekt.
“Zie je dat stel?” zegt hij tegen Claudia. “Dat zullen Syriërs zijn.”
Ze bevestigt zijn vermoeden, opgelucht dat de werkelijkheid is wat hij moet zijn, althans een beetje.

Herschrijven of in één keer goed

Schrijven is herschrijven en dat laatste is voor de meeste auteurs een zware opgave. Een van hen is Maarten ’t Hart. Op de website schrijvenonline legt hij uit dat hij bij het maken van een eerste versie alles helder voor zich ziet en intens beleeft, maar “ga ik achteraf sleutelen, dan heb ik die oorspronkelijke emotie niet meer en ook het beeld staat me niet meer helder voor ogen.”
Zijn afkeer van herschrijven leidt soms tot lelijk taalgebruik. In Ik had een wapenbroeder bijvoorbeeld: Een peloton verlaat de kazerne. Ze dragen sportbroekjes en gymschoenen. Ze gaan drie of zes kilometer hardlopen in de bossen. Veldloop.
Lelijke overgang van enkelvoud naar meervoud, staccato zinnetjes en een hinderlijke woordherhaling. Toch een geniaal verteller. Maarten.




Kwestie van moed
Onlangs vertelde ik een van de meelezers dat ik Te grijs aan herschrijven ben.
“Wat dapper van je,” zei ze. “Ik heb daar de moed niet voor.”
Ook zij heeft een manuscript voltooid, maar het vervolgens afgelegd, liever dan het opnieuw woord voor woord onder ogen te zien. Ik heb daar alle begrip voor. Je schrijft je eerste versie met passie en je vindt jezelf erg goed, anders ga je geen maanden achter je pc zitten. Vervolgens zet je de laatste punt en sluit het document. Je laat het allemaal bezinken en gaat vol vertrouwen aan versie 2. Dan is het even slikken wanneer je het volgende fragment  van Te grijs leest. Diederik is op bezoek bij een vriend met kanker. Die krijgt chemotherapie en is over de helft van deze martelgang. Diederik vraagt hem:
“Is er iets speciaals wat je gaat doen als de chemo klaar is. Iets leuks?”
Piet is verrast, de gedachte is nieuw.
”Iets leuks om het te vieren. Ja, dat zal wel moeten.”
Drie ietsen, drie is-sen en twee keer leuk in drie zinnetjes. Niet storend misschien, maar slordig.


Modiano en Camus
Bleef het maar bij slordigheden, maar je ontdekt ook overbodige passages en - erger nog – grapjes die niet leuk zijn. Nobelprijswinnaar Patrick Modiano (debuut La place de l’Étoile, vertaald als De plaats van de ster) vermijdt het herschrijfleed door zich principieel te beperken tot één versie. Hij werkt net zo lang op de eerste zin tot die in zijn ogen perfect is. Dan begint hij aan zin twee.
Deze methode wordt ook gevolgd door de gepassioneerde aspirant-romanschrijver Joseph Grand in La peste van Albert Camus. Hij begint met de introductie van een beeldschone paardrijdster in het Bois de Boulogne. Omdat hij de perfecte vrouw perfect wil beschrijven, produceert hij een eindeloos aantal versies. Van die eerste zin dus.

vrijdag 29 juli 2016

Over koffiemakelaars, duinen en een doodshemd

De eerste klap is een daalder waard, daarvan ben ik me steeds bewust. Met mijn eerste zin moet ik de lezer de wereld in lokken die ik voor hem heb gecreëerd. Ik ben daarom pas begonnen aan Te grijs toen ik de titel en eerste zin had. Sindsdien heb ik over beide getwijfeld. Vaak heb ik succesvolle boeken uit mijn kast gehaald om te kijken wat de Grote Auteurs hadden bedacht. Deze week ontdekte ik op internet een handig lijstje Beginzinnen van bekende romans op de site allesoverboekenenschrijvers.nl. De site geeft ook een lijstje slotzinnen.



Makelaar in koffi
Het kan allemaal heel eenvoudig, blijkt. Een van de meest succesvolle Nederlandse romans is Max Havelaar of de koffiveilingen van de Nederlandsche Handelmaatschappy (1859). Multatuli houdt daarin een hartstochtelijk pleidooi tegen de koloniale exploitatie van Indonesië. Misschien juist daarom is de eerste zin kaal, een zakelijke introductie van de schrijver: “Ik ben makelaar in koffi en woon op de Lauriergracht nummer 37” (pdf van het boek onder de
link)  
Superkort start ook Adriaan van Dis. Indische duinen (1994) begint met de mededeling: “De meisjes wilden de kust zien.” Zijn roman Ik kom terug (2014) heeft als openingszin “We stonden tegenover elkaar, mijn moeder en ik.Beide schrijvers blijven met hun eerste zin dicht bij de titel. Opmerkelijk is dat ze heel rustig van start gaan met een feitelijke, weinig schokkende mededeling.

’s Morgens al moe
Een beschouwelijke invalshoek kiest J. Bernlef bij Hersenschimmen (1984), zijn relaas over een man met de ziekte van Alzheimer: “Misschien komt het door de sneeuw dat ik me ’s morgens al zo moe voel.” Een knappe zin, waar de rest van het boek naadloos op aansluit. In de bespiegelende categorie valt ook het begin van Advocaat van de hanen (1990) van A.F.Th. van der Heijden. Allesoverschrijversenboeken.nl  citeert de eindeloze beginzin helemaal. Ik volsta met het eerste deel, namelijk:
“Hij had er beter aan gedaan van al zijn zinnen uitsluitend de reuk en de smaak te vertrouwen en dan nog alleen voor zover ze hem zijn eigen verrotting lieten ruiken en proeven(…).
In latere, meer succesvolle boeken zoals De helleveeg kiest Van der Heijden overigens voor een meer feitelijk begin.

Functioneel vies
En dan is er de derde soort beginzinnen, dat de aandacht van de lezer wil trekken met een schokkende mededeling. “Omdat het vandaag je laatste dag is, zal ik je sparen,” is het omineuze begin van W.F. Hermans Ik heb altijd gelijk. (1951)". Ook Jan Brokken schuwt de spanning en sensatie niet om de lezer De Kozakkentuin (2015) binnen te trekken: “De eerste keer dat ik hem zag, stond hij in een wit doodshemd voor een vuurpeloton.”
Dat omineuze, dat wilde ik ook voor Te grijs, een boek waarin het meest zichtbare symptoom van darmkanker een belangrijke rol speelt: “Tijdens het doortrekken heeft Diederik zoals 
gewoonlijk zijn blik afgewend, maar bij het omhoog doen van de bril registreren zijn ogen een streepje rood op het witte porselein.”
Ik vind het beeld vies, maar functioneel vies. Al vrees ik dat sommige lezers na deze startzin de ogen van het boek zullen afwenden.

vrijdag 22 juli 2016

Scènes uit het huwelijk eindelijk ingedeeld

Ik heb de hoofdstukindeling gevonden, eindelijk. De methode van cabaretier en schrijver Kees van Kooten heeft haar vruchten afgeworpen. “Koot” adviseerde auteurs die vastzaten om “er bij te blijven”. Dus niet gefrustreerd de tekst wegleggen in de hoop op een eureka-moment, maar steeds weer de confrontatie aangaan met je onvolkomen creatie. Heb je niks toe te voegen, dan sluit je het document weer. Houd moed. Ooit wordt de geest over je vaardig en weet je weer precies wat je wilde vertellen en in welke volgorde. Het kan een paar maanden duren, dat wel.   



Zoekende schoonmoeder
Nadat ik de acht hoofdstukken had gedefinieerd, heb ik daar 34 scènes over verdeeld. Voor twee scènes zoek ik nog een plek. Van één bestaat alleen de titel: “Leuke dag op het werk”. Een van de meelezers vindt dat het verhaal geloofwaardiger wordt als Diederik tussen alle dagen van falen en crisis ook eens een werkdag heeft waarop alles lekker loopt. Daar zit wat in.
De andere zwervende scène is wel geschreven en heet “Diederik bezoekt bejaarde schoonmoeder”. Diederik vertelt haar dat Claudia en hij onlangs “Scènes uit een huwelijk” weer hebben gezien. Als student vonden ze het bijna drie uur durende relatiedrama van Ingmar Bergman traag en te lang. Nu lag dat heel anders.
Op middelbare leeftijd, met vele decennia huwelijkservaring, hadden ze elke scène op het puntje van hun stoel gezeten door de gruwel van de herkenning.
“Dat begrijp ik wel,”  zegt Diederiks schoonmoeder. “Kun je je voorstellen hoe het voor mij was in die tijd. Praten over relaties deed je niet en ineens lieten ze alles zien. Ik ging er natuurlijk niet met je schoonvader heen, dat zou heel ongemakkelijk zijn geweest.”

Gast met rollator
Deze verdwaalde scène laat zien waarom schrijven zo leuk is. Ineens komt die stokoude dame met haar rollator het verhaal binnen schuifelen. Ze geeft Diederik tijdens de lunch zelfs relatieadvies.
Ze legt haar mes neer en pakt zijn hand, ze kent haar schoonzoon, ze houdt van hem. Ze zegt: ”Als jullie het geluk niet bij elkaar vinden, dan vind je het nergens.”
Ik ben er zeker van dat schoonmama haar plek zal vinden in het boek. In afwachting daarvan begin ik volgende week met het schrijven van tegrijs2.1.

vrijdag 15 juli 2016

Ik had altijd iets met sombere figuren


Het interview met Diederik teruglezend, verbaast het me dat hij niet gevraagd heeft waarom ik zijn sombermakende crisis wil beschrijven. Met dezelfde inspanning zou ik mijn huis kunnen opschilderen en daarvan jaren genieten. Mijn enige antwoord is dat ik liever schrijf. Sommige mensen beklimmen in hun vrije tijd de hoogste bergen van de wereld. Schrijven is een goedkopere, laagdrempeligere en veiligere hobby. Een geschatte miljoen Nederlanders zet zijn zielenroerselen op papier. Voor zestigduizend mensen is auteur het favoriete beroep.

Een loft in de Jordaan
Ik als eenzame, dichtende gymnasiast droomde ook van het professionele schrijverschap. Ik zou in Amsterdam wonen op een loft in de Jordaan. Daar zou ik de levensvragen bespreken met een promiscu gezelschap van bebaarde, pijprokende mannen en hippe, shagrokende vrouwen. De diepste gevoelens delen en wijn drinken uit kartonnen pakken. En natuurlijk verhalen schrijven die uitgetikt en opgestuurd gretig door literaire tijdschriften zouden worden opgepakt. Wat voor spannends ik zou schrijven, wist ik niet. De inspiratie zou wel komen als ik de author’s way of life had.
 

 
 
 
Kwek de Kikker
Eerder deze week vond ik op mijn werkkamer in een la mijn eerste schrijfsels. Mijn vader had er een schrift voor gemaakt en me een potje gekleurde inkt gegeven. Verder een stevige, dikke pen, want ik was pas negen. En daar schreef ik mijn eersteling: De avonturen van Kwek de Kikker. De openingszin was klassiek.
Er was eens een kikker die Kwek heette. Hij woonde in een sloot met andere kikkers. Hij wou wat van de wereld zien. Daarom sprong hij uit de sloot en sprong de wereld in. Na een tijdje kwam hij bij een dorp.
Een dorpsjongen vangt hem en doet hem bij andere dieren in zijn terrarium (moeilijk woord). Kwek vindt het eten niet slecht, maar de mugjes van vroeger waren lekkerder. Sociaal was het behelpen.
De schildpad sliep altijd en met de pad had hij altijd ruzie. Na een tijdje werd hij vriend met de salamander die Piet heette.

Een soort Diederik
Op een goede dag laat de jonge verzorger het luikje open staan en kan Kwek ontsnappen. Hij jaagt daarbij nog iemand de stuipen op het lijf en arriveert weer bij zijn eigen sloot. Na dit happy end komt de sombere moraal van het verhaal.
Kwek sprong in het water en vertelde aan de andere kikkers wat hij beleefd had maar op het einde zei hij: ga nooit de wereld in, want je krijgt toch alleen maar akeligheid.
Geen vrolijk personage, die Kwek. Een soort Diederik.

vrijdag 8 juli 2016

Een instructief gesprek met Diederik

Schrijven kan eenvoudig zijn als je de grote lijn van het verhaal kunt volgen. Die lijn kreeg ik deze week nog steeds niet helder. Vanochtend besloot ik daarom mijn hoofdpersoon Diederik op te zoeken. Hij opende de deur van zijn jarendertigwoning met een basgitaar in zijn hand en zei dat hij weinig tijd had. Claudia en hij traden die avond op met de oudelullenband en moesten oefenen. Wat wilde ik weten?

Vreemde vraag nu ik al zoveel scènes heb geschreven, maar wat vind jij zelf de essentie van je verhaal?
 “Een medisch probleem en een nieuwe baan confronteren me abrupt met het ouder worden. De opwaartse kracht is weg en mijn leven laat een neergaande trend zien. Ik raak in depressie. Tenslotte ontdek ik dat ik die trend wil en kan ombuigen en dat mijn omgeving me daarbij gaat helpen. Mijn krachten zijn afgenomen, maar ik kan ze effectiever inzetten en mijn levensgeluk herwinnen.”



Aan het begin van het verhaal ben je gelukkig?
“Best wel. Ik word dan zestig en heb een goed leven. Ik kan mezelf prima redden en heb anderen heel wat te bieden, als collega, als minnaar, als vriend. Er zijn wel negatieve ontwikkelingen, maar die ontken ik of wijt ik aan anderen.”
 Best wel gelukkig, dat klinkt mager.
“Zo gelukkig als voor mij mogelijk is. Ik heb zin in iedere dag. Dan ontdek ik op mijn zestigste verjaardag dat mijn ontlasting vreemd is. Dat kan wijzen op kanker en ik schrik me dood. Ik herstel me snel, maar de angst blijft terugkomen, net als de rare poep.”
Onsmakelijk, die aandacht voor de inhoud van de wc-pot.
“Er is veel verborgen leed op het kleinste kamertje. Denk ook eens aan zwangere vrouwen die…”
Liever niet. Je krijgt een nieuwe baan.
”Precies, op een jonge, absurdistische afdeling van de bank. Ik ben eerst erg kritisch en blaas hoog van de toren, maar kan mijn taken niet uitvoeren. Aanvankelijk vind ik de eisen ook onredelijk. Nog steeds vind ik continue bereikbaarheid  belachelijk en…”

Je had het over je falen in je nieuwe baan.
“Daar krijg ik veel kritiek, terwijl ik gewend ben aan respect en lof. Ik klaag tegen Claudia, maar die verwijt me negativiteit. Ik vind dat zij me onvoldoende steunt. Dat gevit ondermijnt de al sleetse relatie. Ik krijg potentiestoornissen, die ik mede wijt aan Claudia’s gedateerde kleding en haardracht. Soms kleedt ze zich sexy, maar dat is voor een gelegenheid, voor anderen.”
Het verhaal heeft een positief einde, maar wat je vertelt is allemaal negatief.
“Ja, mijn angsten blijken terecht. Ik heb kanker, ik raak mijn werk kwijt, Claudia gaat uit huis. Relationeel is het dieptepunt een gesprek op de Canarische eilanden. We staan op een zwart strand, een steile rotswand achter ons, de bulderende oceaan voor ons. Ik zeg dan dat leven mijn hobby niet is.”

 
Dat laat weinig ruimte voor een ombuiging van de negatieve trend.
“Mediterend in de magische kathedraal van Chartres krijg ik een eerste sprankje hoop. Dat ik meer kan zijn dan een speelbal van het lot en invloed heb op mijn levensgeluk. Op de laatste pagina blijkt dat ik inderdaad kanker heb, maar vertrouwde ik op de goede afloop. Terecht, anders stond ik hier niet.”  

vrijdag 1 juli 2016

Verre Himalaya geeft de gewenste afstand

Allereerst ging ik naar de Himalaya om de bergen en hun bewoners te leren kennen, maar als worstelende creatief had ik een ulterior motive. Ik hoopte even afstand te nemen van de eerste versie van Te grijs en de reacties daarop. De klagerige Diederik en de bitse Claudia moesten het maar even zonder mij doen. Na terugkeer uit Nepal zou ik de tekst met een frisse blik bekijken en scherp zien hoe ik haar kon herstructureren en uitbreiden tot een tweede, definitieve versie.  



Slapen in je vuile kleren
Afstand nemen is gelukt. Als de lezer een keer alles achter zich wil laten, kan ik een trek door het Rolwalingdal van harte aanbevelen. Stel je een woeste bergstroom voor die zich tussen steile bergwanden een weg baant. Op een paar plaatsen verbreedt het dal zich en daar zijn nederzettingen. De enige verbinding daartussen is een smal pad en daarover, beste lezer zwoeg je voort. De drager met de veertig kilo bagage is vooruit gesneld. In een oneindig lager tempo volg je hem. Met je partner en je sherpagids klim en daal je, klauter je over rotsblokken en balanceer je over wankele bruggetjes. Naarmate je stijgt, daalt de temperatuur. Eerst loop je dagen door bergbossen, maar uiteindelijk overschrijd je de boomgrens. Daar ligt op een kale vlakte tussen de steile bergen een groep huisjes van gestapelde stenen, donker, tochtige en kil. Je slaapt er met je ongewassen lijf in je vuile kleren, met een bivakmuts op tegen de kou.    

Adembenemende woestheid
’s Ochtends schijnt de zon en geniet je van de adembenemende woestheid van het landschap. Tegen de middag trekt het dicht en begint het te regenen. Je luncht met een bord rijst met linzensaus, drinkt een kop oploskoffie en gaat in bed een boek lezen op je e-reader. Voor de avond eet je een bord gekruide aardappelen en gaat opnieuw naar bed. Het getik van de regen is het enige geluid. Verkeer ontbreekt, het handjevol andere mensen zit binnen en de yaks staan stemloos in het veld. Gedachten worden schaars en gaan over de batterij van je hoofdlampje en warme sokken. In de lange uren in bed probeer je soms aan thuis te denken, aan je kinderen en vrienden en aan je werkzaamheden, maar het lukt niet. Het boek dat je leest dringt nauwelijks tot je door. Dat gaat over een wereld die je niks zegt, zozeer ben je in het hier en nu.   

Inspirerend bergvolk
Je kunt je voorstellen dat mijn stroom gedachten over Te grijs snel opdroogde. Ik had stiekem gehoopt op vlagen geniaal inzicht, maar die bleven uit. Tot dit moment heb ik het manuscript dicht gelaten. Misschien houd ik dat zo en schrijf ik uit mijn hoofd de tweede versie. Het is vreemd. De reusachtige bergen doordringen je van je nietigheid. Tegelijk laten de geharde bewoners je zien waartoe de mens in staat is. Als de Nepalezen kunnen leven en lachen in de Himalaya, dan moet ik toch in het comfortabele Nederland een in wezen simpel boek kunnen voltooien dat al half is.  

zaterdag 30 april 2016

Bloggen was leuk, dankzij strakke deadline


Tot juni vorig jaar, beste lezer, was ik waarschijnlijk net als jij. Ik had geregeld geestige observaties en briljante invallen en wilde die graag delen. Een blog schrijven, dat leek me leuk. Eerst voor een handjevol vrienden, natuurlijk. Daarna zou het blog zich via internet viraal verspreiden en honderden, nee, duizenden lezers bereiken. Via blogger.com zou mijn tekst immers voor miljoenen mensen met één muisklik geopend kunnen worden.
De weg naar succes was duidelijk, maar door allerlei oorzaken zette ik nooit de eerste stap. Tot ik vorig jaar van mijn bedrijf de kans kreeg om op hun kosten te beginnen aan mijn roman. Via een wekelijks blog zou ik mijn vorderingen melden. Tegelijk zou ik via het blog publiek werven voor het toekomstige boek. 



Kortwerkend groeivirus
Intussen ben ik toe aan het 42-ste blog. De eerste 41 blogs zijn 2378 keer bekeken, dat zijn gemiddeld 58 unieke page views per blog. De meeste lezers komen binnen via de aankondiging met plaatje op facebook. Daar krijg ik ook de reacties. De reageermogelijkheid van blogger.com werkt slecht.
Naast de facebookmelding verstuur ik zo’n twintig e-mails aan geïnteresseerden. Zonder deze werving denk ik dat ik gemiddeld amper tien page views zou hebben. Van een autonome, virale groei heb ik weinig gemerkt. Een oud-collega heeft via haar blog bekendheid aan mijn blog gegeven met een duidelijke toename van de page views als gevolg. Verder nam begin dit jaar het aantal lezers onverwacht toe, soms tot wel 150. De oorzaak heb ik niet kunnen achterhalen. Na twee maanden zakte het bezoekersaantal weer. Gegeven mijn bescheiden wervingsinspanning vind ik het lezersaantal bevredigend.

Zes ȧ acht uur
Dan het creatief proces. Aanvankelijk probeerde ik een week vooruit te werken, maar het reservestukje leek me op de publicatiedag altijd achterhaald of minder interessant. Nu begin ik op maandag aan de roman te werken en kom ik tegen woensdag al schrijvend een onderwerp tegen. Op donderdag maak ik eventueel een paar aantekeningen en vrijdag schrijf ik het blog. Elke post wordt gelezen door mijn dichtende echtgenote Angeline Jansen en door Cécile Sanders, mijn ex-co auteur van In de schaduw van de Wolkenkrabber. Zij zijn mijn eerste lezers en hun oordeel is leidend. Inclusief research, het feedbackproces  en het zoeken van een plaatje kost elk blog zes tot acht uur werk.

Sint Deadline
Dat ik steeds een onderwerp vond dat ik wilde delen, was een prettige verrassing. En de wekelijkse deadline voor publicatie hielp me om knopen door te hakken. Als voormalig journalist beleef ik deadlines als heilig, ook al bedenk ik ze zelf. Ergens op zaterdag publiceer ik en dan mag ik tevreden iets anders gaan doen. Planning creëert vrije tijd. Die ga ik deze keer gebruiken om thermisch ondergoed te kopen en te chillen in de Himalaya. Ik meld me weer op 2 juli. Het is leuk om voor je te schrijven.

zaterdag 23 april 2016

Naar de Himalaya voor een blogpauze


Dit is mijn één na laatste blog tot 2 juli. Volgende week schrijf ik over bloggen, waarin ik met 41 posts intussen een ervaringsdeskundige ben. Ik zal niet op de zaken vooruit lopen, maar bloggen is voor mij meestal hard werken en tijdelijk stoppen voelt als welverdiende vakantie. Ik trek er ook echt op uit en ga wandelen in een minder toeristisch deel van de Himalaya, waar de sherpa Nima Temba is geboren. Deze Nepalees was de hoofdpersoon in de gelijknamige film van mijn schoonzus, documentairemaakster MargrietJansen. Nima (rechts op de foto) zal onze sirdar zijn en een drager huren. Vreemd hoe de trip een extra dimensie krijgt omdat ik de film heb gezien.



Werkzomer in zicht
Ik las dus volgende week een pauze in van twee maanden en laat het Spartaanse landschap en de ijle berglucht mijn hoofd helder maken. In juli zal ik dan met een frisse blik het document openen en zien wat er moet gebeuren. Duidelijk is dat Claudia ontzuurd moet worden. Het grootste deel van hun relatie had Diederik het leuk met haar en aan het eind van het verhaal belooft de huwelijkssatisfactie zich weer te herstellen tot het oude niveau. Dat is in de huidige tekst moeilijk voorstelbaar. Haar verbittering en ook Diederiks somberheid worden allebei veroorzaakt door de confrontatie met een wereld die is afgestemd op de wensen van een nieuwe generatie. Hun vertrouwen in hun competentie, hun gezondheid en hun relatie is achterhaald door de feiten. Ik heb dit nog maar zeer ten dele beschreven. Het wordt weer hard werken, deze zomer.    

De primitieve mens
Ik ben het verste met Diederiks confrontatie met het nieuwe werken. Hij komt van een vergrijsde afdeling, waar alles nog in kantoorstijl gebeurde en in zijn kamer op zijn bureau zijn pc stond. In dit fragment loopt hij op zijn eerste werkdag de werkvloer op, met zijn collega Iris, die hem wegwijs moet maken.
“Ik ben benieuwd waar ik zit,” zegt hij tegen zijn gids. Ze kijkt hem verbaasd aan.
“Was bij jullie in Amsterdam het nieuwe werken nog niet ingevoerd? Hier kies je als je op kantoor komt de werkplek die je fijn vindt. Inloggen kun je overal. Laten we eerst je laptop ophalen. Heb je al gebeld wanneer je kunt komen?”
”Ik heb mijn oude telefoon ingeleverd.”
“En ben je je eigen mobiel vergeten?”
“Ik heb zelf geen mobiel.”
Ze trekt haar wenkbrauwen op en hij legt uit.
“Ik bel weinig, ik heb een hekel aan telefoneren.”
“Maar als je iets moet opzoeken, openingstijden of hoe je ergens heen moet rijden, hoe doe je dat dan?”
”Thuis op de pc en met de TomTom. Op mijn vorige werktelefoon belde ik alleen.”
Iris is duidelijk van haar stuk gebracht door dit inkijkje in het leven van de primitieve mens.
”Nou ja, ik kon ook sms’en.”
Deze blijk van bredere technologische kennis maakt geen indruk.
Mijn reisbestemming in Nepal zou Diederik wel bevallen: telefoneren kan niet, want er is geen bereik.

zaterdag 16 april 2016

Kunstenaars, dat zijn we allemaal

Sinds ik weer schrijf moet ik vaak aan John Lennon denken. Toen de ex-Beatle werd gevraagd of hij wel eens moeite had inspiratie te vinden, reageerde hij verbaasd. Overal om hem heen hoorde hij een overvloed aan interessant geluid. Hij wilde graag iets doen met al die tonen en ritmes, maar meestal ontbrak de tijd.
De drang om de werkelijkheid in een of andere vorm vast te leggen, is niet beperkt tot creatieve geesten zoals Lennon. Hordes mensen beschrijven wat ze zien en horen in blogs. Overal zie je fotograferende en filmende mensen. Miljoenen kinderen tekenen iedere dag. We zijn allemaal kunstenaars, hoe vaak de muze het ook laat afweten en hoe onbeholpen en middelmatig onze artistieke werken mogen zijn.




Zon in hoedendoos
Veel godsdiensten hebben het creatieve instinct aan banden proberen te leggen. Zij zagen kunst als een poging van de mens om zich een stukje van Gods schepping toe te eigenen. Deze visie heeft Nescio gepersonifieerd in de kunstschilder Bavink die er nooit in slaagt de werkelijkheid recht te doen in een schilderij en uiteindelijk de zon wil vangen in een hoedendoos. Tegenwoordig zou hij de volmaakte foto van de zon willen maken en constateren dat hij alleen gebrekkige gelijkenissen kan produceren. Ik denk dat iemand Bavinks gedrevenheid zou willen, maar dat iedereen het verlangen kent naar de volmaakte weergave van de essentie van werkelijkheid, naar enpowerment. We zouden vaker gehoor moeten geven aan dat verlangen.
Lichtspel met regenbogen
Net als Lennon en waarschijnlijk de meeste lezers laat ik de meeste inspiratiemomenten ongebruikt passeren. Deze week fietste ik echter een brug op over de Amstel en zag een lichtspel dat ik moest vastleggen. Een korte scène voor Te grijs was het resultaat. Claudia en Diederik gaan de brug op en zien in de verte een verblindend licht:
Het duurt even voor ze begrijpen dat een raam van een kantoor de ondergaande zon weerkaatst in een lichtbundel die over het water een zilveren baan vormt tot de brug waarop ze staan. Dichterbij aan de westelijke oever schittert een torentje met gouden windwijzer in de ondergaande zon. Het lijkt te zweven, omdat het gebouw eronder in de schaduw verborgen ligt. Ze houden stil en kijken, de fietsen tussen de benen. Ook andere fietsers zijn gestopt en mensen komen uit hun huizen, telefoon klaar om foto’s te maken. Een regenboog piekt hoog boven Diederik en Claudia om achter hen tussen de huizen te landen. Ernaast ontdekken ze een tweede regenboog, een spiegelbeeld van de eerste, maar zwakker. Ook Claudia pakt haar telefoon, maar de foto is een povere afspiegeling van de magische werkelijkheid. Ze knikken naar elkaar en fietsen weg, want ze willen op tijd zijn voor de yoga.

zaterdag 9 april 2016

Je moet maar afwachten wat de engel je influistert


De zigeuner bij het station keek me vanochtend niet alleen aan, maar glimlachte, zoals ik had gehoopt. Het moet een reactie zijn geweest op de positieve energie die ik uitstraalde: ik ben goed bezig. Ik heb een paar scènes in een meer logische volgorde geplaatst en ook nieuwe tekst geproduceerd. Vooral dat laatste is fijn. De lezer kent het gevoel, je krijgt het al bij het schrijven van een ansichtkaart of een WhatsApp als je op vakantie bent. De eerste poging gaat moeizaam en levert triviale zinnen op als:
“We hebben het erg naar ons zin op Bali.”
Of:
“Groet vanaf zonnig Bali.”
Dan ineens neemt de muze je pen over en beschrijf je de koelte en de intense geur van de tropische ochtend en het zicht op de opalen zee die breekt op het rif, ver weg en geluidloos.






Tekst op commando
Natuurlijk kun je op commando tekst produceren. Ik heb gewerkt bij een nieuwsdienst voor de effectenwereld. Bedrijfsberichten, financiële resultaten, indexstanden, alles stroomde binnen, vaak meerdere items per minuut. Daaruit moest real time de relevante informatie worden geselecteerd, verwerkt en verzonden naar de gebruikers. Je zwoegde als een stoker op een voortrazende stoomlocomotief. In ijltempo schept hij kolen die het vuur met dezelfde snelheid verslindt. Aan het eind van je dienst was je uitgeput en verwilderd. Voordeel was dat je nooit last had van schrijfkramp.

Engelen en muzen
Bij fictie is dat heel anders, ook door het doel. Berichten van een nieuwsdienst zijn gestandaardiseerd en de informatie word je aangereikt. Bij fictie zoek je naar een verhaal dat diep in je hoofd zit verstopt. Je kunt voor je begint de tekst van de vorige dag doorlezen en tijdens een wandelingetje of een fietstochtje bedenken welke richting je uit wilt met je verhaal. Het echte schrijven is echter een moment van genade. De Bijbelse evangelisten kregen het levensverhaal van Jezus ingefluisterd door engelen of God de Vader. De Griekse auteurs kregen bij hun toneelstukken steun van de muze. Hoe dat ook zij: of je een fatsoenlijke zin kunt produceren, is iedere keer afwachten.

Tafelaansteker

Waarom je iets schrijft, is meestal onduidelijk. In de volgende scène zijn Diederik en Claudia net wakker geworden. De vorige avond hadden ze ruzie waarin hij Claudia heeft herinnerd aan haar impulsaankoop van een onhandige tafelaansteker in de oertijd van hun relatie; nu speelt Diederik met Claudia’s haar.
Door de slaap en de schaamte is de ruzie ontdaan van haar angel, maar wat gezegd is, blijkt niet vergeten.
“Een sigaret, daar heb ik ineens trek in,” zegt Claudia. ”Of liever nog een shagje, dat jij draait en we dan samen oproken. Zo heerlijk kon dat smaken op de nuchtere maag.”
Zelfs toen kenden ze elkaar al, in dat grijze verleden waarin roken nog normaal was, zelfs in bed. Diederik bedenkt dat ze de gewraakte tafelaansteker altijd mee hebben verhuisd, hij moet nog ergens diep onder in een kast liggen. Hij weet dat Claudia dit op hetzelfde moment ook denkt en vreest voor verstoring van de kwetsbare vrede.
“Ik moet opstaan,” zegt hij.
“Ik kan je niet missen,” antwoordt ze, terwijl ze tegen hem aankruipt en stevig bij de ballen pakt.
 “En die meiden op het werk kunnen het wel zonder je af.”
Ze lachen allebei, zij laat los en hij staat op om thee te zetten en boterhammen te smeren.
Waarom ik deze scène heb geschreven weet ik niet, maar ik ben er wel tevreden over. Hij komt zeker van pas.

 

 

 

 

 

 

zaterdag 2 april 2016

Worstelende auteur vindt troost bij NS-muziekzigeuner


De zigeuner voor station Amsterdam Zuid keek naar me, voor het eerst. Hij moet het aan me hebben gezien, dat ik tot mijn nek in de shit zat, creatief gesproken. Iedere ochtend loop ik door de stationstunnel, fiets aan de hand, en aan de kant van de Zuidas zit hij met zijn accordeon. Hij speelt bekende melodieën en zingt af en toe met starende blik en weemoedig vibrato. Volgens mij denkt hij terug aan zijn jeugd in een boerendorpje in Transsylvanië. Ik herinner me zo’n plek uit de vampierfilm Met jouw tanden in mijn nek (The fearless vampire killers) van Roman Polanski: bijgeloof, sneeuw en huilende wolven in de omringende bergen. Daar zag ik mijn zigeuner opgroeien en dromen dat hij later een groot kunstenaar zou worden. Zoals ik daarvan droomde in het statige Den Haag.


Ultiem liefdeslied
De blik van de zigeuner was vriendelijk en herkennend. Ik denk dat hij al zijn hele leven werkt aan het ultieme liefdeslied dat hem beroemd zal maken, in Transsylvanië en ver daarbuiten. Het lied zit al in zijn hoofd, alleen over het begin kan hij geen besluit nemen. Moet het lokkend zijn of schokkend? Een ode aan de reusachtige den waaronder de geliefden elkaar kussen of een beschrijving van het graf waar zij aan het eind van het lied belandt? Mijn zigeuner kan niet kiezen en volgens mij voelt hij aan dat ik met hetzelfde probleem worstel, ik zag het aan zijn gezicht.
Tot nu toe was dit mijn eerste zin: Tijdens het doortrekken wendt Diederik zijn blik af, maar bij het omhoog doen van de bril registreert zijn oog toch een streepje rood op het witte porselein. Na deze start hebben veel mensen genoeg gelezen van “dat boek met die poepscène ”. Waarschijnlijk is het handiger om de lezer eerst binnen te leiden in de wonderlijke omgeving waar Diederik zijn werk doet.

Hoeragroep
Nog slaperig en bevangen door de kou loopt Diederik de hal van zijn bedrijf binnen, waar een haag van onbekende collega´s prompt begint te applaudisseren. Diederik verwacht dat achter hem een jubilaris is binnengekomen of een personeelslid die een bankoverval verijdeld heeft. Dat de handen meteen op elkaar gaan voor hem als nieuwe collega lijkt vergezocht. Toch is hij een van de voorwerpen van het eerbetoon, zo blijkt uit een folder die het applauscomité hem overhandigt. “De financiële sector ligt onder een vergrootglas. Van alle kanten komt kritiek op ons af. Maar wij laten ons mooie beroep niet bederven. Vandaar dit spontane initiatief om elkaar te begroeten met een warm applaus.”

Wervend

Ja, dit is een meer wervend begin, dit voelt goed. Bij gebrek aan een gemeenschappelijke taal kan ik de zigeuner morgen niet vertellen over mijn creatieve doorbraak. Geeft niet. Hij zal het aan me zien en extra mooi spelen.

 

 

 

 

zaterdag 26 maart 2016

Veertien Geboden tegen gelul en tierelantijntjes

Van een vriendin kreeg ik How to write good, een lijstje van veertien geboden voor schrijvers. Met  tongue-in-cheek formuleringen als Avoid alliteration. Always. Ik las de geboden, moest glimlachen en probeerde me voor te stellen tot wat voor een tekst deze soberheid zou leiden. Eerst de geboden: 


How to write good

1)      Avoid alliteration. Always
2)      Prepositions are not words to end a sentence with.
3)      Avoid clichés like a plague. They’re old hat.
4)      Comparisons are as bad as cliches.
5)      Be more or less specific.
6)      Writers should never generalise.
7)      Or seven. Be consistent.
8)      Don’t be redundant, don’s use more words than necessary; it’s highly superfluous.
9)      Who needs rethorical questions.
10)   Exaggeration is a billion times worse than understatement.
11)   Never write one word sentences. Period.
12)   Think long and hard before writing anything that could be misconstrued as sexual innuendo.
13)   Never put things in parenthesis (under any circumstances).
14)   Above all else, be terse. Don’t carry on and on. No one likes to keep reading and reading and not go anywhere with it. Make sure that your reader understands what you are trying to convey in as few words as possible.


Gewapend beton
De veertien soberheidsregels deden me denken aan Bordewijks experiment met de Gewapend Betonstijl in het verhaal Bint. Ik ken geen navolgers van deze stijl, maar de eerste zin van Bint is in talloze geheugens gegrift. Leraar De Bree is op weg naar zijn nieuwe school:De Bree zijn denken was hoekig en norsch. De lucht lag laag morsig roetig. Novemberochtend. De wind danste lomp om de hoeken. De boersche reuzin viel over hem met de volle vracht van natte kleeren. De Bree kampte even. Dit was een voorpostgevecht. Hij wist ongeveer waar hij heen ging. Hij had er van gehoord. Hij bereikte het plein met onvertraagden tred door de kolking der tochtgaten.Vervolgens ontmoet hij directeur Bint en begint de oorlog tegen de klas met de bijnaam De Hel.


Veel overtredingen
Bordewijk zondigt in deze passage met de zin Novemberochtend tegen het elfde gebod (geen zinnen van één woord). Als hij de wind beschrijft als De boersche reuzin, die met de volle vracht van natte kleeren over hem heenvalt, overtreedt hij behalve het achtste gebod (geen overbodige woorden) ook het vierde gebod (geen vergelijkingen). Deze zin is tegelijk een schending van het tiende gebod (liever understatement dan overdrijving) en dat geldt eigenlijk voor het hele verhaal. Bint voldoet dus niet aan de regel van de veertien wetten, maar wel aan de geest. De tekst is basic en krachtig. Zo zou ik willen schrijven.   
 
 

zaterdag 19 maart 2016

Goed nieuws inspireert tot absurde dialoog

Leren schrijven doe je door veel te lezen, zegt een van de vele schrijfgoeroes. Ik lees dus veel, ook blogs zoals Leeuwenhart Krijn. Dat is de blognaam van hartpatiënt Krijn Krijgsman, een jongeman van 20 die na 356 dagen uit het ziekenhuis is ontslagen. Zijn derde hart werkt goed, hij kan naar huis. Bij tijden was een goede afloop onzeker, zo blijkt uit de stroom opgeluchte reacties op het blog.




Veel wachten
Krijns tweede hart was een machientje, de andere twee kwamen van donoren. De schrijfster van het blog, moeder Warna Krijgsman, heeft menig post gewijd aan het wachten op een hart. Dat is een macabere en slopende bezigheid. Ik besefte toen dat Warna waarschijnlijk graag haar eigen hart had willen doneren aan haar zoon. Als dat mogelijk was geweest en als ze niet twee andere kinderen had gehad en een liefhebbende man.  
Absurd gesprek
Toen ik later de keukenkastjes poetste en over Te grijs nadacht, besefte ik dat veel ouders die impuls moeten hebben. Ook Diederik en Claudia, die gevangen zitten in een negatieve spiraal. Ik stelde me voor dat ze op de televisie de moeder van een hartpatiënt zien vertellen dat ze zich graag voor haar zoon wil opofferen. De dramatische manier waarop ze dat zegt, ergert Claudia en er ontspint zich het volgende absurde gesprek…    


Verwijtende blik
“Tjonge, jonge”, schampert Claudia. ”Wat heeft die vrouw veel over voor haar lieveling.”“Jij zou hetzelfde doen voor Sebas,” zegt Diederik. Ze gaat onmiddellijk in de verdediging. Ja, natuurlijk, want anders doe jij het en dan kijk je me de rest van mijn leven aan met die verwijtende blik van: ik moet ook alles doen.”
Ze vallen stil, want behalve Claudia’s vreemde betoog klopt er meer niet. Ze hebben geconstateerd dat ze alle twee bereid zouden zijn te sterven om hun zoon te laten leven. Daarvoor kan je je pet afnemen, maar zij,ze katten elkaar af. Claudia pakt Diederiks hand en samen zitten ze zich langdurig te schamen.
    
 

zaterdag 12 maart 2016

Voorraad oude schrijfsels levert diamantje op

De meeste lezers zullen ze hebben, de gedichten en verhalen waaraan ze ooit zijn begonnen, maar die nu sluimeren in vergetelheid. Toevallig kwam ik er een paar tegen. Van de basisschool vond ik De avonturen van Kwek de Kikker en van de middelbare school Idylle in de regen. Recenter zijn Moeder en zoon en Het oosterse sprookje, beide aanzetten tot langere verhalen. Ik vond ook mijn bijdragen aan Het Drieluik, een productie over een driehoeksrelatie die de verhoudingen tussen de drie auteurs onder grote druk zette en nooit is afgemaakt. Gedichten heb ik niet meer: na een verbroken relatie heb ik mijn puber poëzie boos verbrand. De fragmenten die ik me herinner, zijn pathetisch en beschamend slecht.



Omslag in Chartres
Onvoltooide schrijfsels bewaar je meestal voor later gebruik. Daar komt het echter zelden van, je hebt gewoon geen klik meer met wat je hebt geschreven. Wie schetst dan ook mijn verbazing dat ik in mijn archiefje een scène vond waar ik net naar op zoek was.
De opzet van Te grijs is dat de hoofdpersoon wegzinkt in zijn zestigercrisis en vervolgens de weg omhoog vindt. Tot nu toe verstrikt Diederik zich echter steeds meer in zijn depressieve denken. Er is een omslag nodig, de geboorte van een meer positief levensgevoel, pril als het is. Precies dat vond ik in het Drieluik-dossier, waar mijn door relatieleed geteisterde personage Manuela door een collega naar de kathedraal van Chartres wordt gestuurd. Ik hoefde haar alleen maar om te bouwen tot man, door het stadje omhoog sturen naar de kerk en op een bank te laten plaatsnemen.     

Robijn-in-loodramen
Na een paar minuten ontdekt Diederik dat dit eeuwenoude paleis van God een stem heeft, die in zijn hoofd spreekt.
“Mijn bouwers hebben in mij alle schoonheid en wijsheid geconcentreerd waarover ze beschikten. Zodat jij hier troost en toekomst kunt vinden, net als degenen die voor je kwamen en degenen die na je zullen komen. Spreek tot me!” Zwijgend vertelt Diederik zijn verhaal van afwijzing en falen, in flarden die opstijgen langs de ramen, naar het dak en daar doorheen, hemelwaarts. Tegelijk dalen kracht en ontspanning neer, tranen beginnen over zijn wangen te lopen. Hij wordt aanvaard en aanvaardt zichzelf, het is een heerlijk gevoel. Dan schrikt hij op omdat een invalide toerist zijn kruk op de vloer laat kletteren. Hij voelt zich betrapt en bedrogen.
“Een oud, dood gebouw ben je,” zegt hij nijdig tegen de kerk, “Niks méér.”
Juist op dat moment breekt de zon door en transformeert de bovenste gordel ramen in adembenemende collecties robijnen, saffieren, smaragden en andere edelstenen.    
“Sorry,” mompelt Diederik geïntimideerd,  ”Ik heb niks gezegd.”

zaterdag 5 maart 2016

Toekomstverlies behandelen met dosis prettig verleden

Na acht maanden werk aan mijn roman zit ik nu peinzend aan de keukentafel, buiten valt de regen, binnen gebeurt niets. Ik ben vastgelopen met mijn roman, zoveel is duidelijk. Om te zien waar ik nu eigenlijk mee bezig ben, googel ik roman en definitie en krijg 493.000 hits. Met de term roman wordt een grote verscheidenheid aan vooral prozateksten aangeduid, constateert de Wikipedia nuchter. Als auteur kan ik dus kiezen. Goed dan: voor mij is een roman een verhaal waarin de hoofdpersoon een onomkeerbare ontwikkeling doormaakt. Ongelukkigerwijs is de hoofdpersoon Diederik. Een ontwikkeling betekent een beweging door de tijd in een bepaalde richting. Diederik komt echter nauwelijks van zijn plaats. Hij is namelijk een deel van zijn toekomst kwijt.

     

Kein Weg zurück
Toekomstverlies van de hoofdpersoon kan een schrijver inspireren. Erich Maria Remarque schreef over extreem toekomstverlies bij middelbare scholieren in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Ze hebben geen idee wat er komt als de wapens eindelijk zullen zwijgen. Ze zullen thuis iets moeten, maar wat? Remarque schreef er drie lijvige boeken over: Im Westen nichts Neues, Der Weg zurück en Drei kameraden.
Extreem toekomstverlies heeft mij geinspireerd tot een korte scene in Te grijs. Diederik gaat daarin op bezoek bij zijn vriend Piet, die een slopende chemotherapie ondergaat tegen een dodelijke ziekte. De plantjes in het volgende fragment zijn cannabisstekjes voor mediwiet.
Het
valt Diederik op dat Piet niet over kanker spreekt, maar over de ziekte en niet over chemotherapie maar over de kuur. De dingen bij de naam noemen is kennelijk te vreselijk. Piet vertelt dat hij over de helft van de behandeling heen is. Diederik neemt aan dat hij reikhalzend uitziet naar het einde van de kuur.
“Is er iets speciaals wat je gaat doen als de chemo klaar is. Iets leuks? ”
Piet is verrast, de gedachte is nieuw of in ieder geval onplaatsbaar.
“Iets leuks doen om het te vieren. Ja, dat zal wel moeten.”
Hij kijkt peinzend naar de breekbare plantjes op tafel en vervolgens naar Diederik. Dan herhaalt hij zonder het te weten Claudia’s woorden.
“Wees maar blij dat je gezond bent.”


Kroket van Kwekkeboom
Helaas is Diederik tot nu toe zelden blij. Hij geniet van een goed glas wijn of een kroket van Kwekkeboom, maar voor de langere termijn heeft hij geen enkele wens. Zijn dagelijkse handelingen zijn reacties op impulsen uit zijn omgeving. Het positieve deel van zijn toekomst is verdwenen. Wat resteert is een onbekende deportatiebestemming vastgesteld door een vijandige macht.
Diederik kan de toekomst missen als kiespijn. Ik kan daar weinig meer aan doen. Wél kan ik Diederik een verleden geven waarin alles nog wel goed was. Ik heb dan in ieder geval een beweging in de tijd. Tegelijk kan ik hem heimwee laten hebben naar die tijd, zodat hij toch een wens heeft, een verlangen. Natuurlijk blijft Diederik een depri, waarmee ik mezelf heb opgescheept. Het zij zo. Na Te grijs schrijf ik een vrolijk boek. Over een kind van anderhalf jaar oud dat iedere ochtend lachend de dag tegemoet treedt.