vrijdag 12 mei 2017

Russische bloglezers verbazend talrijk

Deze keer een blog over bloggen. Michiel Nooren stelt namens de lezer tien vragen aan zichzelf.
Is het geen zwaktebod, je eigen blog  als  onderwerp nemen?
“Absoluut. Ik heb zojuist een spannende klus afgerond en wil alleen relaxen bij een glas zelf gebrouwen witbier. Maar the show must go on en om mezelf te motiveren keek ik naar de pageviews, dat waren er 217 over vier weken, 54 per blog. Dat is mooi. Het totaal voor alle 86 berichten is nu 5056 views. Toen keek ik verder en zag iets raars…”

Ik zou zorgen dat ik altijd één reservestukje had, voor als ik een black-out heb. Hoe moeilijk kan dat zijn, een week vooruit werken?
“Te moeilijk. Ik wordt altijd heel kritisch over een stukje wat even ligt en schrijf toch iets nieuws. Donderdags weet ik het onderwerp, gewoonlijk een probleem waar ik eerder die week tegenaan ben gelopen. Ik vraag dan informatie aan een vriendin en schrijf vrijdags. Soms op zaterdag, als het niet anders kan zoals nu.”



Op je programma blogger.com kun je zien hoeveel een post bekeken wordt, dus welke onderwerpen lezers trekken. Beïnvloedt dat je onderwerpkeuze?
“Het meest gelezen is het stuk over de dood van mijn vader van afgelopen januari. Dat kreeg 181 views. En op 29 mei 2015 begon ik met de post: Ik kan er een boek over schrijven en kreeg 91 lezers. Op de derde plaats komt Meelezers willen betere behandeling pensionado’s met 66 views. Ik kan daar echt niet op sturen.”

Vanwege die populaire post over je vader zou je denken dat je lezers bekenden van je zijn?
“Dat dacht ik ook. De meeste lezers komen binnen via facebook. Op de blogaankondiging daar krijg ik likes en die zijn meestal van oude bekenden. Vaak mensen van mijn leeftijd, de pre-mobielgeneratie. Het is daarom vreemd dat de helft van mijn posts gelezen wordt op het mobieltje en niet op de laptop. Dat wijst op een ander, jonger publiek.”

Je vrouw leest alles op haar telefoon, zelfs boeken. Kun je techniek zo sterk aan leeftijd binden?
“Misschien ga ik te veel uit van mezelf. Merkwaardig is ook de hoeveelheid views uit landen waar niemand me kent. De meeste lezen me vanuit Nederland, ruim de helft. Dan zijn er veel lezers in de buur- en/of vakantielanden, maar Rusland...”

Noem je de Russen niet al in de titel van het blog?
“Inderdaad, omdat ze met 849 views op twee staan, ver boven Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de VS.”

Inderdaad, wie zijn die Russen? Studenten Nederlands? Nederlandse expatriates?
“Misschien is er een technische oorzaak voor het grote aantal, ik heb geen idee. Ik wil graag weten wie zij zijn? Daarom wil ik vragen of een lezer in Rusland contact met mij wil opnemen. Mijn mailadres is
michiel.nooren@outlook.com. Bij voorbaat dank.”

vrijdag 5 mei 2017

Techniek maakt schrijven race tegen de klok


De snelle maatschappelijke veranderingen maken schrijven een race met de  klok. Je wilt aansluiten op de belevingswereld van de lezer en voegt dus actuele details toe. Vervolgens moet je het verhaal snel voltooien en gepubliceerd krijgen, anders is het zomaar een historische roman geworden met ouderwetse technologie en vergeten gebeurtenissen.
Een voorbeeld is het omtrekken van een standbeeld van Saddam Hoessein. Mijn co-auteur en ik vonden die beelden in 2012 de ideale achtergrond van een dramatische scene in In de schaduw van de Wolkenkrabber. We waren ervan overtuigd dat deze beelden  klassiek zouden worden, zoals de foto uit 1945 van drie Amerikaanse soldaten die een vlaggenmast overeind zetten om de verovering van het Japanse eiland Iwo Jima te vieren.
Het mocht niet zo zijn. Sinds de Iraakse dictator elf jaar geleden is afgezet, hebben foto’s van onthoofdingen en verwoestingen het standbeeldmoment uit de herinnering verdrongen. Onze spannende achtergrond zegt de lezer weinig meer.



Mobiele alleskunner
Het beschrijven van alledaagse voorwerpen is ook riskant geworden. In 2012 was het gebruik van geheugenschijfjes net zo algemeen als de USB-stick nu. Opslag in de Cloud kan de stick binnen een paar jaar een historisch curiosum maken, net als het schijfje en de bel-en-sms-only telefoon.
De smartphone lijkt alles te kunnen wat we willen. Het ligt voor de hand dat er apparaten verdwijnen, maar het is nog onduidelijk of dat de tablet, de e-reader, de TomTom, de laptop of de televisie is. Naast techniek is gedrag bepalend. Twintigers zijn niet meer bereid voor een functiearme televisie te wachten tot het de omroepen behaagt iets uit te zenden. Gelukkig zijn Diederik en Claudia van Te grijs zestigers, dus het is juist functioneel als ze wat achterlopen.


Toekomstvast leventje
Sommige boeken zijn verbazend toekomstvast. A little life van Hanya Yanagihara schetst het  mondaine leven in het New York van de jaren tachtig. Zij zet personen neer in wie wij ons heden ten dage moeiteloos herkennen. In Thom Wolfe’s verhaal The bonfire of the vanities  over een vreemdgaande Wall Street-handelaar, staat echter het merkwaardige tijdsgewricht van de jaren tachtig centraal en is zijn personage daar het product van.
Ik neig meer naar Wolfe dan Yanagihara, want een van Diederiks problemen is juist het tijdsgewricht met zijn continue technische verandering, zoals uit het volgende fragment blijkt.

Mobielloze oudere
Diederiks collega Iris vraagt of hij al gebeld heeft met de IT-afdeling.
”Ik heb mijn oude telefoon ingeleverd,” antwoordt hij. Ze is vol begrip.
“En in de stress van de eerste werkdag heb je je eigen mobiel thuis laten liggen.”
“Ik heb zelf geen mobiel.”
Ze trekt haar wenkbrauwen op en hij legt uit.
“Ik bel weinig, ik heb een hekel aan telefoneren.”
“Maar als je iets moet opzoeken, openingstijden of de beste route ergens heen, hoe doe je dat dan?”
”Thuis op de pc en met de TomTom. Op mijn vorige werktelefoon kon ik alleen bellen.”
Iris is duidelijk van haar stuk gebracht door dit inkijkje in het leven van de primitieve mens en hij zegt snel:
”En sms’en, dat deed ik best vaak.”

zaterdag 29 april 2017

Hoe eindigt mijn favoriete boek ook al weer?

De belangrijkste zinnen van een boek zijn de eerste en de laatste. De beginzin moet je het verhaal binnenlokken. Natuurlijk heb je al een eerste oordeel. Zo kreeg ik op mijn 66-ste verjaardag opnieuw een aantal prachtige boeken. Wie het boek geeft en wat hij erbij vertelt,  creëert een bepaalde sfeer, een bepaalde verwachting. Daarbij komt de titel van het boek, het omslag, het formaat en het gewicht. Soms heb je al zo’n positief gevoel dat je bereid bent je door oninteressante zinnen of zelfs saaie pagina’s heen te worstelen. Alsnog zet een slechte openingszin de schrijver direct op achterstand in de strijd om de aandacht van de lezer.  

Frau Hitler
In zijn voortreffelijke schrijvershandboek De wil en de weg stelt Jan Brokken dat de slotzin net zo belangrijk is als de openingszin. Hij illustreert dat met een kort verhaal van Roald Dahl over een vrouw met een sterke  kinderwens. Na twee miskramen baart ze een gezond jongetje. Laatste zin is de gelukwens van de vroedvrouw: “Gefeliciteerd, mevrouw Hitler”. Deze slotzin zullen we ons herinneren, maar de meeste vergeten we. Neem Nescio’s De uitvreter. Van de openingszin hoef ik alleen het eerste woord te noemen: “Behalve” en de lezer vult vanzelf aan “de man die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond heb ik nooit een wonderlijker kerel ontmoet dan de Uitvreter”. Klassiek is ook het begin van Multatuli’s Max Havelaar: “Ik ben makelaar in koffie en woon op de Lauriergracht Nummer 37.”
Nescio cadeau
Aanvullen van de eindzinnen is veel moeilijker. Multatuli eindigt dramatisch met “En dat daarginds dertig miljoen onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in Uwen naam?” De Uitvreter sluit koel zakelijk af: “Zijn reis naar Friesland is  altijd onopgehelderd gebleven”. De  lezer die zich beide slotzinnen spontaan herinnerde, krijgt van mij beide boeken cadeau. Misschien is de slotzin van een goed verhaal qualitate qua van minder belang dan het begin. Het einde moet logisch aansluiten op wat daarvoor is gebeurd, dus de lezer heeft al een idee wat hij kan verwachten als hij de laatste zin bereikt. Ook beseft hij dat hij het grootste deel van het leesgenot achter de rug heeft, wat zijn concentratie allicht vermindert.     
Boek in 42 woorden
Herinnerd of vergeten, de slotzin is belangrijk. Jan Brokken houdt ervan als de laatste zin in relatie staat tot de eerste. Bij Te grijs is dat gelukkig het geval. Ik begin met: ”Tijdens het doortrekken wendt Diederik zoals gewoonlijk zijn blik af, maar bij het omhoog doen van de bril registreren zijn ogen toch rood op het witte porselein.”
Verontrustend, denkt de lezer, maar het hoeft niets ernstigs te zijn. Dat het dat wel is, blijkt uit Claudia’s woorden die de laatste zin vormen: “Ik heb mijn koffertjes al gepakt. Als jij door de hel moet, ga ik met je mee.”

De laatste weken zie ik als een huis op tegen de 80.000 woorden die de roman moet hebben. Nu besef ik echter dat mijn begin- en slotzin in 42 woorden het hele verhaal over Diederiks gezondheid en huwelijk vertellen. De zinnen die ik daartussen moet voegen vloeien daaruit voort, zijn aanvullingen en details. Die schrijven moet relatief gemakkelijk zijn. Veel arbeid natuurlijk, maar doable 

donderdag 20 april 2017

Een goed gekauwd kinderboek altijd bewaren

Voor mensen onder de dertig ben ik een raar figuur. Ik gebruik katoenen zakdoeken en een Tomtom, ik draag een bril zonder montuur, ik wil niet met one note in de cloud en mijn huis staat vol kasten met boeken. Acht kasten met gemiddeld zes planken, dat maakt bij 35 boeken per plank 1680 papieren informatiedragers. Ik heb ook nog een paar honderd boeken in dozen, wat het totaal boven de 2000 brengt. Veel boeken zijn niet om aan te zien. Ze zijn gerafeld en gesegmenteerd door het omslaan van de bladen, het verdrogen van de ruglijm en de verzuring van het papier. Van de boeken die nog in goede staat zijn, heb ik een deel nooit gelezen en zal ik ook nooit lezen.     

Waardescheppende krabbels
Het is duidelijk: mijn boekenverzameling is toe aan een upgrade, ik moet haar toekomstbestendig maken. Over de toekomst van fictie bestaat weinig twijfel. Het verhaal zal blijven bestaan. In digitale vorm zal het waarschijnlijk steeds vaker worden opgetuigd met mogelijkheden om commentaar te geven en te lezen, begrippen op te zoeken en relevant beeldmateriaal op te roepen. Dat is niet zo nieuw als het lijkt. Middeleeuwse boeken werden extra gewaardeerd als een geleerde lezer zijn commentaar in de marge had geschreven. Dat een goed boek rijkelijk was geïllustreerd ging zonder te zeggen. Het kale, beeldloze boek is een product van de moderne tijd, die vroeg om goedkope boeken. Door de illustratiekosten te besparen, kon de prijs weer een stukje omlaag.

Volumineus en functie-arm
Om verhalen te lezen heb je echter geen boekencollectie nodig. Je kunt bijna alle boeken die je wilt lezen online bestellen, huren bij de bibliotheek en kobo.plus of rippen, digitaal stelen dus.
Het volumineuze, functie-arme papieren boek moet dus een toegevoegde waarde hebben wil het zijn plaats op de plank waard zijn. Soms is die waarde duidelijk. Daniel Defoe’s verhaal van de schipbreukeling Robinson Crusoe wil ik het liefst lezen in een oude uitgave, zoals die uit 1791. Tekst en illustraties afgedrukt met roetzwarte inkt en met papier dat aanvoelt als textiel en na twee eeuwen nog net zo soepel is als toen het uit de papiermolen kwam. Zulke boeken ruim je niet op. Dat zou ook weinig ruimte vrijmaken, want ze vullen in de meeste kasten amper één plank.   
Souvenir van een leesreis
Deze week besprak ik de boekenkastproblematiek met iemand die is opgegroeid met e-readers en andere handheld devices. “Ik koop vaak papieren boeken voor in de boekenkast,” zei ze. “Maar alleen nadat ik ze heb gelezen als e-book en weet dat het goede verhalen zijn. Ik koop ze niet om te lezen, want dat heb ik al gedaan.” Voor haar hoeft het boek geen leesfunctie te hebben. Het is een dierbaar souvenir van een spannende leesreis.
Het was een verhelderende visie die me helpt bij de selectie van boeken die er mooi uitzien.
   

Spannend snot
Blijven over de oranje Penguin-pockets en andere goedkope edities die de boekenkast opties vervuilen. Die kunnen weg, tenzij er opdrachten van dierbare gevers in staan, namen van vorige eigenaars uit familie en vriendenkring of handtekeningen van de schrijver. Die wil ik houden – én boeken die veel fysieke sporen bevatten van mijn geschiedenis. Oude boeken zijn doortrokken van etensluchtjes en tabaksrook, tussen de pagina’s zit  stof en stuifmeel van de plaatsen waar ik ben geweest. De bladzijden dragen de sporen van mijn zweet.
Ik stel me voor dat je in de toekomst zulke informatierijke boeken kunt scannen en een profiel  kunt genereren van de lezer. In die context zijn afgeragde kinderboeken het meest kostbaar. Er is op gekwijld en gekauwd, zodat het DNA overvloedig aanwezig is. Juist deze boeken wil ik bewaren en nalaten aan toekomstige generaties. Die weten dan alles over hun verre voorouder en kunnen desgewenst een kopie tot leven brengen. Als je dus moet kiezen tussen een mooie editie van Jurassic Park en je meest versleten peuterboek, kies dan het laatste: het is veel spannender.

vrijdag 14 april 2017

Een goedaardige kater en andere geluksmomenten

In de tijd dat de Grieken hun hersens nog wel gebruikten, definieerde Aristoteles het verhaal als de beschrijving van een omslag in het lot van de hoofdpersoon. Zijn stramien kennen we allemaal van de sprookjes uit onze kindertijd, die onveranderlijk begonnen met Er was eens… Vervolgens gebeurde er op een dag… iets dat de status quo verstoorde. Uiteindelijk kwam dan alles weer op zijn pootjes terecht en leefde de hoofdpersoon nog lang en gelukkig. Variaties op dit schema vinden we in alle romans, speelfilms, series en zelfs games. Lezers die een verhaal aan het schrijven zijn en de draad een beetje kwijt zijn, vinden misschien helderheid door de hele definitie van Aristoteles eens te bekijken.

 
Romantisch afspraakje
Omdat een roman uit verschillende subverhalen bestaat, zijn er meerdere geluksmomenten nodig, op diverse plaatsen. Zelfs al overheerst in elk hoofdstuk de misère, dan nog zal de hoofdpersoon zich af en toe senang moeten voelen om de spanningsboog in stand te houden.
Veel auteurs maken zich er gemakkelijk vanaf, zoals Dan Brown, die de Da Vinci Code (2003) eindigt met een kus en een romantisch afspraakje. Anderen lassen met duidelijk plezier feel good-scenes in. Bijvoorbeeld Amos Oz in Een verhaal van liefde en duisternis (2002, verfilmd in 2015). Als wat oudere auteur blijft hij dicht bij het fysieke boek. Zijn vader liet hem als kind soms drie boeken van de plank halen en buiten afstoffen: “een zware maar verrukkelijke verantwoordelijkheid,” waarbij het stof hem sterk opwond en in een “gelukzalige euforie” bracht.

Genot op grote hoogte
Nu het reisseizoen aanbreekt en we na eindeloze veiligheidscontroles weer uren verkrampt in vliegtuigen zullen doorbrengen, kan Edgar Keret ons een positievere mindset geven. In Zeven vette jaren (2014) noemt hij vliegen “genot op grote hoogte” en legt uit: “De stelregel dat vliegtijd verloren tijd is, bevrijdt me van mijn angsten en schuldgevoelens, ontdoet me van alle ambities en maakt zo de ruimte vrij voor een ander soort existentie. Een gelukkig,  idioot bestaan…”  

Positieve kater
Mijn meelezers melden een schaarste aan geluksmomenten in mijn manuscript. Toch is Diederik af en toe wel degelijk gelukkig:
Zijn kater is van de goedaardige soort. Aan zijn lichaam voelt hij wel dat het een slecht idee was om na de fles wijn nog een glaasje cognac te drinken. Of waren het er twee, ze hebben ze niet geteld. Claudia ligt nog voor pampus in bed. Op zijn vraag of ze ontbijt wilde, heeft ze alleen gekreund en een paar woorden gesproken, waarvan hij “nooit meer”, ”drank” en gootsteen” heeft verstaan.
Het maakt niet uit, hij is na een boterham en een kop thee op de fiets gestapt en daar rijdt hij nu door de straat, langs het speelpleintje dat baadt in het frisse licht van de lentezon. Peuters waggelen tussen de toestellen of kruipen door de zandbak. Apathische ouders kijken toe, ze hadden zo graag uitgeslapen, wellustig aanschurkend tegen hun partners. Ook deze zaterdagochtend mocht het niet zo zijn.
Diederik zou hen willen enthousiasmeren en vitaliseren, hen willen toeroepen dat dit de eerste dag is van een nieuw leven. Zijn zwakke lijf wordt stevig geleid door een onzichtbare hand, linksaf de winkelstraat in waar de bloemenman de kleurige boeketten buiten zet. In Diederiks oren klinkt een ritmische herhaling van woorden: “
Hope of deliverance, we live in hope of deliverance”. Die hoop voelt hij sterk, dat hij eindelijk bevrijd zal zijn van twijfels en getob.

vrijdag 7 april 2017

Lentezon en herfstregen geven roman structuur

Er zijn twee soorten pensionado’s, de vrije jongens en de gestructureerden. De eerste groep wil iedere dag met een lege agenda beginnen. Ze voelen zich bevrijd, nu ze “niets meer hoeven”. Hun productieve levens zijn voltooid en het grote genieten kan beginnen.  
De gestructureerden blijven dichter bij hun werkende leven en hebben juist een volle agenda. Door de eisen van hun baan waren ze belemmerd in de rest van hun ontplooiing. Nu het werk is gestopt, kunnen ze eindelijk andere ambities volgen. Wandkleden weven, hun pianospel ontwikkelen, authentiek middeleeuws bier brouwen of een roman schrijven. Uit het feit dat ik dagelijks schrijf en er wekelijks over rapporteer, zal duidelijk zijn dat ik behoor tot de tweede groep.



Bocaccio en Knausgard
Mijn behoefte aan structuur geldt niet alleen het schrijven, maar ook de roman zelf. Dat is lastig, want ik vertel drie verhalen. Die van een worstelende oude werknemer, een teleurgestelde echtgenoot en een kankerpatiënt in the making. Deze ontwikkelingen zijn niet lineair en lopen niet steeds synchroon, zodat er een overkoepelend raamwerk nodig is.
Het structuurprobleem is oud. Giovanni Bocaccio (1313-1375) loste het op door de 100 verhalen van de Decamerone in tien verteldagen te persen. Meer recent situeerde Remco Campert (1929- ) Het leven is vurrukkulluk in één dag.        
Een andere methode is om structuur te halen uit het verloop van de seizoenen. Dit doet de Noorse schrijver Karl Ove Knausgard (1968- ). Na zes delen Min kamp, is hij begonnen aan een reeks die de namen draagt van de seizoenen. Het eerste boek, Om hǿsten (in de herfst) verscheen vorig jaar in het Nederlands. Voor Te grijs wil ik ook een seizoensstructurering, maar dan een meer fysieke, waarin je de regen op je gezicht voelt – en de lentezon.  


Bultje in de lente
Diederik heeft een bultje op zijn hoofd. Claudia merkte het voor het eerst op bij een wandeling in februari toen ze Diederiks muts goed deed. Intussen zijn de winterkleren opgeborgen en komt overal het groen tevoorschijn. Ook het bultje heeft zich ontwikkeld en heeft nu de oppervlakte van een dubbeltje. Claudia is ongerust.
“Het is geen moedervlek, geen wrat, geen puist. Je moet de dokter laten kijken. Kun je meteen zeggen dat je je zorgen maakt over je wc-bezoek.”
Diederik protesteert.
“Op de plee gaat het op het moment prima. En door dat bultje zit ik zo meteen in een medisch circuit met allerlei angstaanjagende scenario’s en blijkt het uiteindelijk niks te zijn.”
”De dokter kan het zo weghalen. Dan ben je in ieder geval van die lelijke plek af.”
Daar valt weinig tegen in te brengen en een week later ligt hij op de onderzoeksbank. Hij probeert zich te ontspannen terwijl de dokter tussen de hoofdhuid en de schedel drie doses verdovingsvloeistof injecteert. Dat is verdomde pijnlijk.
Vervolgens komt  de assistente erbij, om bloed te deppen, zoals de dokter uitlegt. Als hij zijn lancet pakt, sluit Diederik de ogen. Het wegsnijden is pijnloos, maar duurt lang. Hetzelfde geldt voor het hechten. Als hij zijn ogen opendoet en overeind komt, is het meeste bloed opgeruimd, maar er ligt nog een plasje op de plek van zijn hoofd.
“U moet nog wel uw haar wassen,” zegt de arts. “Het snijdsel stuur ik naar het lab, dat is protocol. U hoort de uitslag volgende week, als ik de hechtingen eruit haal.”
Vooraf had Diederik zich voorgenomen om na afloop relaxed naar de bakker te kuieren voor iets lekkers. Nu hij eindelijk buiten staat in de volle lentezon, wil hij alleen nog maar naar huis. Naar bed.

vrijdag 31 maart 2017

“Het verlangen” dat je idee gejat is voor de film

Heeft regisseur Joran Lürsen van Het verlangen ons idee gejat? Die vraag drong zich op aan ondergetekende en zijn coauteur van In de schaduw van de Wolkenkrabber toen we deze feel good movie bekeken. Ons boek uit 2012 gaat over een uitgever die een commercieel profiel voor een reeks thrillers zoekt en daarvoor een voluptueuze jonge vrouw in dienst neemt, Marjan de Vries. Zij speelt haar rol als bestsellerauteur heel bekwaam, tot de roem haar naar het hoofd stijgt. Ze wordt dronken op het boekenbal en eist meer geld en invloed op de inhoud van nieuwe boeken. Ze eindigt in de Amstel, bij de aanlegplaats voor de begrafenisboot.

Onooglijke zonderling
In de film spelen Gijs Naber en Alex Klaasen twee uitgevers die een veelbelovend manuscript ontvangen van een onooglijke en stotterende zonderling, vormgegeven door Peter Bolhuis. Ze besluiten het boek op de markt te brengen als werk van een bevallige jongedame in de persoon van Chantal Janzen. Die stuwt de oplage van Het verlangen op tot grote hoogte en viert triomfen als topauteur. De echte schrijver wordt jaloers en eist publieke erkenning. Dit probleem wordt opgelost door deze voyeuristische gnoom te vermoorden, zij het niet door verdrinking.       

Thema Frankenstein
De langbenige Chantal Janzen heeft andere charmes dan de zeer mollige Marjan de Vries. De dikkige gnoom Bolhuis vertoont geen enkele gelijkenis met onze slanke mannelijke auteur, die een womanizer is.
Ook in het plot zijn er ten opzichte van ons boek rollen verwisseld. In de film komt de echte schrijver in opstand, niet zijn mediumpersonage.
Dat alles constateerden wij toen de lichten aangingen in het Citytheater in onze sfeervolle hoofdstad. Er waren veel verschillen, maar de gelijkenis in de verhaallijn was treffend. Een moord in de uitgeverswereld, veroorzaakt door de opstand van een overmoedig mens tegen zijn schepper. Ook proberen zowel Janzen als  De Vries te bewijzen dat ze zelf bestsellers kunnen schrijven, maar dat blijkt in beide gevallen overmoedig.

Plagiaat gewenst
Het verkoopsucces van In de schaduw was erg plaatselijk, maar het boek is wel door honderden mensen gelezen. Vaak bewoners van Amsterdam-Zuid, waar veel filmmensen en andere creatieven wonen. Plagiaat is dus mogelijk, zij het moeilijk te bewijzen. Jammer, want ik zou het graag willen weten. Niet om financiële claims in te dienen, die zouden alleen de advocaten rijk maken. Maar om de wetenschap dat een filmaker door ons idee geïnspireerd is. Navolging is immers het grootste compliment.

vrijdag 24 maart 2017

Je Perfect day bedenken is verbazend lastig

Plan een volmaakte dag. Dat is een van de opdrachten uit het hier eerder genoemde zelfhulpboek Unlimited power van Anthony Robbins. Altijd op zoek naar ingrediënten voor mijn roman omarmde ik het begrip Volmaakte dag onmiddellijk als een onmisbare peiler voor mijn spanningsboog. Ook hoorde ik direct de verleidelijke tonen van Lou Reeds It’s just a perfect day. Verder meldde een vriendin het bestaan van een Italiaanse in 2008 verfilmde roman met dezelfde titel, Un giorno perfetto. Schrijfster Melania Mazzucco beschrijft daarin de activiteiten van een aantal inwoners van Rome in de 24 uur voorafgaand aan de politie-inval waarmee het boek begint. De titel moet ironisch bedoeld zijn, want er gaat in dat etmaal veel fout, zoals dat hoort in een roman.  

Niet terugvorderbaar voorschot
Toen ik probeerde de volmaakte dag te bedenken, ontdekte ik dat het bijzonder lastig is. Verbazend, want je hoeft alleen de dingen op te schrijven die je het allerleukst vindt. Ik mag me bijvoorbeeld laten ontwaken in het Amstelhotel naast de Zweedse actrice Liv Ullmann, mijn sexgodin. Na een overheerlijke champagneontbijt in het Amstelhotel mag ik me laten opbellen door een uitgever die me een niet terugvorderbaar voorschot op Te grijs biedt van een miljoen euro. Maar maken die wonderen de dag volmaakt?   
Dieren voeren
Als je goed naar Lou Reed luistert, zie je dat hij ook worstelde met het perfecte. Vier coupletten lang is het gezellig. Hij drinkt met zijn vriendin sangria in het park en voert de beesten in de dierentuin: it’s such fun. Dan komt het vijfde couplet:
“Just a perfect day
You made  me forget myself
I thought I was
Someone else, someone good.”
En zo zijn we op deze mooie dag toch weer aan het tobben geslagen.   

Roombroodjes
Dit onvermogen om volmaakt gelukkig te beschrijven is kennelijk ons lot. In mijn roman vraagt Claudia aan haar echtgenoot Diederik hoe hij de volmaakte dag ziet.
“Een dag waarop ik niet denk aan vreselijke ziektes,” antwoordt hij.
“Dat spreekt voor zich, maar nu verder.”
“Iets leuks doen met jou. Wandelen in de stad, lunchen bij Krasnapolsky aan de Dam.”
“En lekker vrijen, dat was zeker het eerste waaraan je dacht.”
“Ja, vrijen, dat hoort er natuurlijk ook bij.”
Ze ziet zijn ongemak en vraagt door.
“Maar waaraan dacht je het eerste?”
Aarzelend zegt hij:
“Dat we thuis koffie drinken.”
Hij ziet dat ze feestelijke details verwacht, maar besluit eerlijk te zijn.
“Met een roombroodje erbij.”

vrijdag 17 maart 2017

Paniekstemmer Diederik behoedzaam beschreven

Ik moet erg oppassen dat ik mijn roman niet overlaadt met actualiteiten zoals verkiezingen en mode-elementen, ook als die alleen maar sfeervolle stoffering van het eigenlijke drama betreffen. Misschien omdat ik opgeleid ben als historicus, heb ik die drang sterk. Zo wil ik vandaag graag iets doen met de recente verkiezingen. Die waren belangrijk, al is het moeilijk om ze een functie te geven in het relaas van die Leiden des jungen Diederiks.


Houellebecqs onderwerping
Michel Houellebecq stelt verkiezingen centraal in Soumission, maar het gaat hier om fictieve Franse verkiezingen van 2022. Bovendien wil hij waarschuwen voor Islamitische overheersing. Ik niet, ik heb helemaal geen politieke boodschap. In Nederland schreef Onno Bosma De verzoeking van Jan Metsiers waarin de Nederlandse politiek van 2001 (aanslag op WTC) tot en met 2010 (verkiezingstriomf van Wilders) centraal staat. De boodschap ging echter ten koste van de dragers ervan: Bosma’s personages. “Volkomen eendimensionaal”, oordeelde de Volkskrant zuur. “Buik- en spreekpoppen. (…) Wat dit met literatuur te maken heeft is onduidelijk.
Onder het motto “ik kan altijd schrappen” heb ik Diederik en Claudia toch in de naburige basisschool laten stemmen.
Paniek en domheid
“SP! Heb jij Dom Links gestemd!”
In haar boosheid fluistert Claudia het zo luid dat verschillende mensen haar richting uitkijken. Diederik geneert zich vreselijk, ondank de minieme kans dat er een SP-er in de buurt is. Links betekent Groen Links voor de hoog opgeleide jonge ouders die hier het wegbrengen van hun kinderen combineren met hun democratische plicht.
Een gesprek is onmogelijk in de menigte stemmers die zich naar buiten wringt en haastig wegloopt of wegfietst naar het werk. Diederik en Claudia hebben nog even de tijd, maar van een ontspannen wandelingetje komt het niet meer. Claudia is echt boos.
“Hoe is het in Godesnaam mogelijk dat jij SP stemt. We stemmen altijd D66!”
”Ze doen veel aan de zorg,” verdedigt Diederik zich. “Dat besefte ik ineens. Als je duurdere medicijnen nodig hebt, bijvoorbeeld, dan vertrouw ik ze meer dan zo’n gezonde mensenpartij als D66.”
Ze lopen langs een bakker en Claudia herinnert zich dat ze bij het ontbijt de laatste vier boterhammen hebben opgegeten. Zwijgend staan ze in de winkel en als ze verder lopen, zegt Claudia nog steeds niets. Ze hebben de avond tevoren naar een tv-programma gekeken over een zeer effectief maar extreem duur medicijn tegen darmkanker. Die ochtend, voor ze gingen stemmen, heeft Diederik langer dan normaal op de wc gezeten. Hij vermoedt dat Claudia het verband ontdekt tussen deze twee feiten en zijn bizarre stemgedrag. Ieder moment verwacht hij te worden uitgemaakt voor angsthaas die niet naar de dokter durft, voor een onbetrouwbare zwevende kiezer en paniekstemmer. Hij gaat alvast iets verder van haar af lopen, maar ze neemt zijn arm.
“Niet bang zijn, mannetje.”
En ze trekt hem tegen zich aan en hij beseft dat ook zij bang is dat hij ziek is. Heup tegen heup lopen ze de laatste meters naar huis.

vrijdag 10 maart 2017

Schrijvers vaker depressief dan rijk

Waarom willen mensen schrijver worden? Wie is hun – en mijn – rolmodel? De kinderloze Arnon Grunberg (Blauwe maandagen) met zijn bindingsproblemen en bizarre persoonlijkheid is geen model van geluk. De meesten van ons zouden aarzelen als hij aanbood van persoon te ruilen en we in één klap topauteur zouden zijn. Jeroen Brouwers zou wel in zijn voor  zo’n ruil want “ik ben schrijver en dat heeft mijn leven tot hier behoorlijk verpest.” Peter Buwalda (Bonita Avenue) dan, die bijna als een zeeman afscheid neemt van zijn gezin voor de tijd dat hij zich in een boekproject inscheept. Dat wil je ook niet. Eerder heb ik al geblogd over de Amerikaanse Lost Generation-schrijvers. Van hen kon Nobelprijswinnaar Ernest Hemingway altijd leven als een rijk man, maar hij leed aan depressie en wellicht erectiele disfunctie. Op zijn 62-ste stak hij de dubbele loop van een geweer in zijn mond en haalde de trekker over. Depressies komen bij schrijvers bovengemiddeld vaak voor en zelfmoord is niet ongebruikelijk. Het is merkwaardig dat het schrijverschap zo’n begerenswaardig en respectabel beroep is.   



Al tikkend rijk worden
Het lijkt een laagdrempelige route naar rijkdom. Je hebt alleen een computer nodig, of een telefoon, pen en papier desnoods. En een briljant idee. De werkloze en gescheiden Joanne Rawlings bedacht Harry Potter tijdens een ergerlijk vertraagde treinreis. Ze werkte vijf jaar aan Harry Potter en de Steen der Wijzen en kreeg vervolgens afwijzingen van twaalf uitgevers. Nummer dertien hapte toe en maakte haar duizelingwekkend rijk. Ze moest daar wél duizenden pagina’s voor schrijven die 450 miljoen mensen leuk vonden. Met zo’n oplage zal ze van de uitgever een hoog royaltypercentage hebben gekregen van gemiddeld 15%. Dat zou een geldstroom richting Rawlings betekenen van 675 miljoen pond bruto, 769 miljoen euro. De inkomsten uit de acht speelfilms plus merchandising kwamen daar nog bovenop.      

Ingetogen feesten
Zulke bedragen zijn in het Nederlands taalgebied ondenkbaar. Stel dat jij een geniale roman schrijft waarvan er in het jaar na publicatie 100.000 worden verkocht. Daarmee bevind je jezelf al in de hoogste regionen van de oplage-toptien. Je hebt het hoge royaltypercentage van 15% bedongen van de winkelopbrengst van 2 miljoen euro, te weten drie ton. Na belasting is daar genoeg van over om een paar jaar goed van te leven. Je overgeven aan uitspattingen zit er niet in, want je moet snel een nieuwe bestseller produceren. Van royalty’s Nederlandstalige boeken word je nooit rijk.

Magische hoop
Een uitgever kan quitte spelen met een oplage van 1000 exemplaren. Als Te grijs zoveel verkoopt, ben ik een gelukkig man. Ook al val ik onder het laagste royaltypercentage van 5% en krijg ik maar 250 piek bruto, dan nog vier ik mijn succes royaal. Dat kan een schrijver doen wiens vrouw een goed inkomen heeft. Die begrijpt dat je schrijft uit hoop. Hoop op geld en roem en geluk natuurlijk,  maar vooral  om een relevante werkelijkheid te vangen en te delen via dat magische instrumentarium. Gezien de uitspraak van Esther Gerritsen (Dorst) is dat scheppende proces voor sommige auteurs ook een kwelling. “Soms zit ik hele delen van een boek alleen maar met haat te herschrijven”, zegt ze. Per saldo zijn auteurs behalve een depressief ook een zurig volkje. Wil je daar bij horen?

vrijdag 3 maart 2017

Diederik doet succestest, zakt voor lachen

Mijn hoofdpersoon Diederik heeft besloten aan zichzelf te gaan werken. Dan gaat hij misschien meer van zichzelf houden en hopelijk ik meer van hem. Hij kwam op het idee toen hij in de Amerikaanse boekhandel in Amsterdam een boek zag met de titel Unlimited power. Het was van ene Anthony Robbins, die eerder de internationale bestseller Awaken the giant within schreef. De titels spraken Diederik wel aan, want hij voelt zich op het werk en thuis een machteloze dwerg. Hij wil competentie, hij wil de wereld verbazen. 

             

Succes = lachen
Hij slaat het boek open en leest op het voorblad een citaat van de Amerikaanse filosoof Ralph Emerson (1803-1882): Succes is: to laugh often and much. Dat vindt Diederik flauw, hij lacht sinds zijn overplaatsing zelden en dan vooral met collega Iris, sporadisch met zijn vrouw Claudia. Maar lachen is toch geen teken van succes! Hij leest verder: To win the respect of intelligent people. Dit zinnetje maakt hem blij, want zijn vrouw is slim en hij heeft veel snuggere vrienden. Ook het volgende: To win the affection of children klinkt aangenaam. De meeste kinderen zijn bij hem op hun gemak.
Bemoedigd leest Diederik door: To find the best in others. Doet hij dat wel voldoende? Hij aarzelt en geeft zichzelf een zes min, leest dan de laatste twee zinnen. To leave the world a bit better.

Sommige leraren
Of hij de wereld een beetje beter zal achterlaten betwijfelt Diederik. Hij is toe aan een whisky, Jack Daniels was in de aanbieding. Twee glazen later komt Claudia thuis. Hij leest haar de  definities van succes voor.
“Hij zegt niets over liefde voor vrouwen,” is haar oordeel. Damn, denkt Diederik, hoe Claudia altijd met kritiek klaarstaat! Hij onderdrukt zijn ergernis en legt op serieuze toon uit.
“De  liefde van kinderen winnen, dat zinnetje gold in Emersons tijd ook voor het winnen van de liefde van vrouwen. Men zag vrouwen als kinderen, dat is bekend.”
Ze kijkt hem twijfelend aan en hij vervolgt.
“En ik vind ook dat er gelijkenissen zijn. Sommige leraren bijvoorbeeld…”
Door het noemen van haar beroep begint het bij Claudia te dagen en zegt ze met stijgende verbazing.
”Je maakt een van je flauwe grapjes. Jij, Diederik Somberman, maakt ineens weer een grapje. Dat Unlimited power lijkt me een heel goed boek voor jou.”               

vrijdag 24 februari 2017

Relatietherapeut kan zorgen voor productieve liefde

Ik heb ernstige relationele problemen. “Dat verbaast me niets,” zal de lezer zeggen.
”Je roman is sterk autobiografisch en een van de thema’s is de huwelijkscrisis van de hoofdpersonen. Dan weet ik genoeg.” Nu ontken ik niet dat mijn vrouw en ik af en toe met elkaar praten in een sfeer van openheid. Sommige zinnen krijgen dan een akoestisch accent. Gewoonlijk zijn we blij met elkaar. Verder heb ik geen minnares en leef ik in harmonie met mijn familie en vrienden. Mijn relaties met mensen van vlees en bloed zijn in het algemeen warm.




Moord op Holmes
Het probleem zit hem in de al eerder gemelde koele relatie met mijn personages. Die moet ik absoluut verbeteren, wil ik geïnspireerd aan de gang kunnen blijven met het verhaal. De Britse auteur Arthur Conan Doyle begon te balen van zijn populaire speurder Sherlock Holmes en liet hem in Zwitserland in een kloof storten om niet meer over hem te hoeven schrijven. Zijn Zweedse collega Henning Mankell bevrijdde zich van inspecteur Kurt Wallander door hem Alzheimer te laten krijgen. Het is duidelijk dat de spanningen tussen schepper en schepping hoog kunnen oplopen en het einde kunnen betekenen van zeer succesvolle projecten.               

Heikel onderzoek
Tot nu toe heb ik geprobeerd mijn personages aardig te vinden, maar daar gaat het misschien niet om. De Nederlandse schrijver Őzkan Akyol liet zich voor zijn nieuwste boek Turis sterk inspireren door zijn vader, hoewel hij hem haat.
Een zeer belezen vriendin mailde me over deze kwestie dat schrijvers van goede boeken “van hun personages houden, hoe slecht of gestoord ze hen ook maken”. Die alles vergevende liefde zorgt ervoor dat “de lezer de personages gelooft.”
Als dit waar is, heb ik nog veel te doen. Eerder sprak ik in dit blog het verlangen uit naar hulp van een ordenende redacteur. Momenteel heb ik meer behoefte aan een gespecialiseerde relatietherapeut. Die zal me zeker vragen om Diederiks sterke en zwakke punten te inventariseren. Gezien het autobiografische karakter van mijn boek is dat een heikele onderneming.

vrijdag 17 februari 2017

Na zoveel keer toch twijfel: doe ik het wel goed?

Doe ik het wel goed? Deze week passeer ik de mijlpaal van 75 posts van het blog michielsroman. Bij een gemiddelde lengte van 400 woorden is dit 28.000 woorden, een dun boekje. Het manuscript van Te grijs telt 65.000 woorden. Het is dus niet zo dat ik alleen maar lul óver het werk, maar al werkende lul ik inderdaad veel.
En hoe goed is mijn blog? Sanderkooistra.nl selecteerde de beste vijf blogs van Nederlandstalige schrijvers. Het Engelstalige blog van Arnon Grunberg is voor hem ‘’met vlag en wimpel’’ nummer een. Een verrassende derde in Kooistra’s top-5 is de in 2009 overleden Simon Vinkenoog, wiens blogs nog altijd live staan. Kooistra zelf blogt ook, vooral over schrijven. Inhoudelijk sterk en bijzonder stijlvol vormgegeven. Ik heb nog veel te leren voor ik me kan meten met de blogtop, dat is duidelijk.



Zoals het hoort
De vraag is vervolgens of ik het blog professioneel aanpak. Ik googlede “recept blog” en kreeg in binnen seconden 28,2 miljoen hits, want er zijn angstwekkend veel weblogs. Toen vroeg ik voluit “hoe schrijf ik een blog” en kwam op schrijvenonline.nl dat nauwkeurige instructies geeft. Kies een onderwerp voor de hele reeks blogs die je gaat schrijven, dat zal gelden voor alle posts van het blog. Beperk je tot een herkenbaar onderwerp of thema, waar je een persoonlijke band mee hebt, “je stem moet uniek zijn”. Reageer op reacties en promoot je blog via vrienden en social media. En tenslotte: regelmaat en routine zijn de peilers van een blog, dus “schrijf, ook als je niets te schrijven hebt”. Ik mag constateren dat ik alles doe wat schrijvenonline adviseert, behalve het laatste.            

Levendig verkeer
Waar het uiteindelijk om gaat, is of de lezer én de schrijver het  blog leuk vinden. Michielsroman is nu in totaal 4490 keer bekeken. De afgelopen vier weken lag het aantal lezers op 73 per post, duidelijk boven het historisch gemiddelde van 59. Omdat de meeste mensen selectief posts lezen, is de groep die ik bereik veel groter dan het gemiddelde. Eén post dit jaar werd 150 keer bekeken in twee dagen.
Voor zoveel mensen wil ik eens in de week graag een aantal uren zweten. Want het is spannend, bloggen, omdat je meteen kunt zien of je gelezen wordt op de computer, de telefoon en de i-pad. Ik kan daarop een zekere invloed uitoefenen via de teaser op facebook, waar de titel en de illustratie staan afgebeeld. De eerste uren na plaatsing durf ik de lezersstatistiek niet te openen. Vaak kijk ik pas zaterdagavond en eigenlijk ben ik dan altijd blij verrast, gewoon dat iemand gekeken heeft wat ik te melden had over de schrijverij.

vrijdag 10 februari 2017

Rupsje Nooitgenoeg aartsvijand van schrijvers

Een roman wordt snel een Rupsje Nooitgenoeg, die steeds hongert naar nieuwe episodes. Het is aan de schrijver om hieraan krachtig weerstand te bieden. Een boek moet strak in zijn lijf zitten. Teveel input leidt tot vormverlies. In het uiterste geval wordt de auteur een literaire feeder. Een traditionele feeder mest zijn vrouw vet tot een vleesmassa van honderden kilo’s. Zijn literaire evenknie laat een roman uitdijen tot een onaffe en amorfe collectie zinnen.
Ik denk dat J.J.Voskuil op weg was zich te ontwikkelen tot zo’n feeder. Dertig jaar lang maakte hij massa’s aantekeningen voor Het Bureau, maar bij zijn pensionering had hij daarvan nog niets gepubliceerd. Dat kwam naar eigen zeggen pas toen hij jaren na zijn pensionering begon terug te denken aan zijn werk. De herinneringen gingen gepaard met een onverdraaglijke hoofdpijn. Om therapeutische redenen besloot hij toen om zijn aantekeningen te organiseren tot een manuscript.  




Bofkont Voskuil
Voskuil had enorm geluk met zijn uitgever. In 1996 meldde hij zich onaangekondigd bij Van Oorschot met de complete, uitgetikte tekst voor zeven lijvige boeken. Veel uitgevers hadden hem naar de naburige papierbak verwezen, maar Van Oorschot zag de potentie van Voskuils kroniek van drie decennia frustrerend kantoorleven.
De omvang van het werk wijst er al op dat ook Voskuil weinig schrijfbaars kon laten liggen. En na 5000 pagina’s Het bureau vond hij het nog nodig om de episodes over zijn dementerende schoonmoeder en over voormalige buren uit te werken tot weer nieuwe boeken. Het is een wonder dat hij zijn grote werk ooit heeft kunnen afsluiten.           

Hopelijk functioneel 
Mijn eigen boek moet ik ook tijdig afsluiten, anders ben ik door mijn grijze Rupsje Nooitgenoeg zo een decennium verder. Ik wil wél de vruchten plukken van mijn schrijverij, bescheiden als die zullen zijn.
Afsluiten dus en verdiepen, dat Te grijs. En nieuwe  episodes bewaren voor een volgend project. Misschien stop ik de volgende tekst in dat nieuwe mapje. Misschien ook vind ik er toch een functioneel plaatsje voor in Te grijs. Het fragment gaat over een bezoek aan mijn/Diederiks dementerende moeder, sinds begin dit jaar weduwe, na ruim een halve eeuw huwelijk.

 Vrees voor intimiteiten
Tijdens het middagdutje blijft haar gebit gelukkig in, ze ziet er goed uit, slaapt vredig naast het lege bed van haar overleden man. Misschien voelt ze Diederiks aanwezigheid, want ze opent onverwacht haar ogen. Ze herkent hem meteen en in haar gezicht breekt de zon door.
“Diederik, wat heerlijk dat je er bent.”
Ze wil meteen opstaan, maar hij vreest intimiteiten met afzakkende kleren en natte luiers.
“Ik bel de zuster.”
Die verschoont haar en manoeuvreert haar naar de sta-op-stoel.
“Vertel,” zegt ze en hij geeft haar beknopt het laatste familienieuws met na iedere zin een  kans om te reageren, want haar geheugen is extreem kort. De zwangerschap van de vrouw van zijn zoon is ze helemaal vergeten. Ze is blij opnieuw.
“Je wordt opa, Diederik,” zegt ze en kijkt hem aan met een ondeugende lach.
“Je wordt een oude vent.”
Hij herinnert haar eraan dat ze de zwangere Renate gefeliciteerd heeft bij de recente crematiebijeenkomst van haar man. Ze reageert verbaast.
“Crematie? Wie is er dan dood?”
“Papa is overleden, mam.”
Hij vreest dat ze alsnog in huilen zal uitbarsten, ze heeft haar hele leven met hem gedeeld, tegenover haar staat zijn stoel.
“Is Jan dood?” zegt ze verbaasd en dan gedecideerd: “Nee, dat geloof ik niet, dat is onzin.”
En opgewekt herhaalt ze:
“Heerlijk dat je er bent.”

vrijdag 3 februari 2017

Niet de schrijver, maar de lezer schept het verhaal


Zou het een trend worden, de overbevolking in de literatuur? En dan bedoel ik niet het groeiend legioen schrijvers dat de lezer bedelft onder een lawine boeken. Dan heb ik het over boeken met een menigte van tientallen personages, ieder met een eigen karakter en achtergrond. Deze week was ik bij de presentatie van Duel der Vikingen, een lijvig boek over de strijd om een Zweedse erfenis. Schrijver Thomas Lindblad voert vier hoofdpersonen op en een horde vrienden en familie. Toen ik zei dat ik de kluts  kwijtraakte, wees hij op de handige genealogie aan het eind van het boek. Daarin kon ik alles opzoeken. De digitale uitgave had bovendien een bijlage met personalia van de belangrijkste veertien personages. Wat was mijn probleem?
    

 

Neem nu Game of Thrones
Goede vraag, want personageproliferatie hoeft succes niet in de weg te staan, zoals Leon Tolstoj, Louis Couperus en J.R.R. Tolkien lieten zien en meer recent George Martin. Hij schreef de boekenreeks Het lied van ijs en vuur waarop de televisieserie Game of thrones is gebaseerd. Een van de lezers van deze Amerikaanse bestsellers telde meer dan dertig personages.
Het vereist veel vertrouwen in de kwaliteit van je verhaal om de potentiële lezer te belasten met een vracht voorinformatie. Je stelt als auteur eisen aan de lezer. Multatuli vond dat het kenmerk van een goede schrijver. “Een lezer die geen tijd heeft om te vragen ‘wat is dat’ hoeft niet te lezen” vond hij.      
Mulisch de Dienstverlener
Ik ben het daarmee oneens, een schrijver is een dienstverlener. Ik zal hem dan ook niet belasten met genealogische puzzels. Een boek lezen is toch al een zware klus, waarschuwde wijlen Harry Mulisch al. “De lezer is niet de toeschouwer van een toneelstuk, maar de acteur die alle rollen uitbeeldt. De schrijver levert de tekst, maar een artistiek werkstuk wordt het pas door het talent van de lezer.”
Mulisch moet dit door bittere ervaring geleerd hebben, want hij had geen bescheiden aard. A.F.Th. van der Heijden stelt zich nog nederiger op. “Elk boek is au fond een doos vol dode woorden,” constateert hij. ”Totdat de lezer zich bereid toont ze met zijn ogen tot leven te wekken.”
 

vrijdag 27 januari 2017

Tongamputatie belooft een schrijfbaar verhaal

Ik ontdekte deze week ineens een luguber, maar heel schrijfbaar verhaal. Een oud studiegenoot van mij lag na een langdurig ziekbed op sterven. Amputatie van de tong kon zijn leven nog een paar maanden verlengen. Zijn vrouw had haar carrière opgeofferd om hem bij te staan, tien jaar lang. Ze had gegeven wat ze kon en het was op. De tong weghalen om het hart in dit gemartelde, uitgemergelde lijf nog iets langer te laten kloppen leek volstrekt zinloos. Ze moet iets dergelijks gezegd hebben, want hij antwoordde moeizaam: “Ik ben er nog, hoor.”    


Wonderlijke levenslust
Stel dat de partner van de man mij uitgebreid zou willen vertellen hoe hij man stap voor stap lichamelijke functies verloor en daarop reageerde. Uit haar verhaal en de informatie van andere intimi zou ik insjallah het verhaal kunnen distilleren van zijn wonderlijke levenslust. In iedere fase van verval moet hij een betekenis hebben gegeven aan zijn bestaan, er een zeker genoegen aan hebben beleefd. Het zou hard werken zijn om deze ultieme levenskunst te beschrijven, maar ik zou steeds terug kunnen vallen op mijn dossier met feiten en meningen. Dat is het voordeel van non fiction. Je hebt informatie over je personages die niet ter discussie staat. Je hebt het er maar mee te doen. In fiction ervaar ik de vrijheid wel eens als te groot, waardoor je altijd blijft twijfelen.     
Annejets verhalenvoorraad
Het is de methode van Heineken-biograaf Annejet van Zijl, de schrijfster van Sonny Boy en Een Amerikaanse prinses. Haar laatste twee boeken zijn gebaseerd op levensgeschiedenissen waar ze toevallig tegen aan liep. Ze kwam nog veel meer verhalen tegen en heeft een hele voorraad. Zo groot dat ze in een interview auteurs opriep om eens te komen praten. Ze had mooi materiaal voor ze, het zou zonde zijn als daar niets mee gebeurde.
Misschien is het domme koppigheid, maar ik wil allereerst Te grijs afmaken, ook nu ik besef  hoeveel werk er nog vóór me ligt. Het zit vooral in het geloofwaardig maken van het verhaal. Dat enorme probleem heb je bij non fiction niet. De lezer twijfelt er misschien aan dat amputatie van de tong levensreddend kan zijn, maar het is een feit, ook hij moet het er maar mee doen.

vrijdag 20 januari 2017

Pap, als ik spring ben ik heus niet dood


Het is al jaren geleden, mijn middelste zoon was nog een peuter. We stonden op het balkon en keken naar het betegelde terras ver onder ons, ik over de balustrade, hij tussen de hekspijlen door. Hij liet de diepte tot zich doordringen en zei:
“Als ik naar beneden spring, ben ik heus niet dood pap. Dan probeer ik heel hard mijn ogen open te doen en dan leef ik weer.”
Natuurlijk schrok ik van deze gevaarlijke zienswijze. Gelukkig heeft hij zijn overmoedige plan nooit uitgeprobeerd. De overtuiging dat alles mogelijk is als je maar sterk genoeg wil, is wel zijn leidraad gebleven, ook in het volwassen leven.    



Doordrenkte levens
Bij het lezen van Max Perkins. Editor of genius moet ik vaak aan de overmoed van mijn zoon denken. Ik heb eerder de film gezien en er hier over geschreven. Max Perkins was redacteur van Scott Fitzgerald (The great Gatsby), Ernest Hemingway (A farewell to arms) en Thomas Wolfe (Look homeward Angel). Ondanks frequente schrijfkramp, hadden ze het onwankelbare vertrouwen dat ze met elk boek de wereld meer zouden verbazen. I know I can beat anything I have ever done before, and certainly surprise the critics and the public,” schreef Wolfe aan Perkins. Fitzgerald en Hemingway vroegen zich af of hun volgende boek het beste zou worden in hun eigen tijd of in alle tijden. Hun kinderlijke verwachting van hun almacht leidde tot verscheurde, met alcohol doordrenkte levens en bij Hemingway tot zijn voortijdige dood.
In Nederland zei Jan Cremer: “Ik ben de beste. Ik stijg boven alles en uit in Nederland. Dat is geen grootspraak. Dat is gewoon een feit.” Volgens mij lijdt hij minder dan de bovengenoemde Amerikanen, maar produceerde hij ook minder meesterwerken.   

Haalbaar onvoldoende
De auteurs die ik noemde deelden het besef dat ze iets bijzonders aan het schrijven waren. Dat gevoel is mij vreemd. Ik denk in het haalbare. Ik denk dat ik met Te grijs een goed boek schrijf dat relevant en onderhoudend is voor een groep lezers. Misschien is daarvoor toch meer nodig dan vlijt en organisatie en moet ik vaker het gevoel hebben dat ik de hemel kan bestormen. Voor mijn hoofdpersoon Diederik geldt hetzelfde. Hij en ik, wij moeten af en toe uit ons dak gaan.

zaterdag 14 januari 2017

Een grafrede is schrijven voor het eggie

Daar stond ik dan vrijdagmiddag, links van me de kist met mijn vader, voor me de verzamelde familieleden en vrienden. Ik heb de levensschets van hem met droge ogen kunnen uitspreken. Als oud radioman bleek ik ook keurig binnen de toegewezen vijf minuten. Tijdens het schrijven was ik bang dat mijn woorden naar me terug zouden kaatsen. Dat ze tijdens het uitspreken ineens hun volle betekenis zouden onthullen en ik stil zou vallen of zou gaan hakkelen of huilen. Dat zou ontroering oproepen, maar het gehoor niet wijzer maken over de Creatieve en strijdbare vader, grootvader etc.

 

Dromerig romanwerk
Na het dromerige romanwerk was de grafrede schrijven voor het eggie. Mijn vader was dominant aanwezig en een horde getuigen van zijn leven keek over mijn schouder mee. Ik bleef dan ook vlakbij de feiten.
Mijn vader lijkt op de hoofdpersoon van Hermann Hesse´s Steppenwolf; uiterlijk een rustige bourgeois, maar van binnen een avonturier. Mijn vader wilde zeeofficier worden, maar zakte voor het examen en kwam op kantoor. Uiteindelijk werd hij senior lifeguard bij de Haagse Vrijwillige Reddingsbrigade.
Deze passage in mijn rede ontroerde me diep. Ineens zag ik hoe duurzaam en onaantastbaar zijn verlangen naar de zee was geweest. Ik keek naar de kist en voelde deernis met hem, maar slaagde erin door te spreken.

Relatie met Diederik
Na de plechtigheid gingen we naar het strand bij Kijkduin om in de storm uit te waaien. In de auto terug mijmerde ik over de levensverlangens van mijn personage Diederik en merkte geleidelijk dat ik niks kon verzinnen. Anderhalf jaar al beschrijf ik Diederiks daden en gedachten, zonder zijn diepe drijfveren te kennen! Misschien ben ik oppervlakkig. Het kan ook zijn dat je van iemand moet houden om zijn innerlijk te kennen. In dat geval schiet mijn liefde voor Diederik te kort en moet ik dringend aan onze relatie werken.

vrijdag 6 januari 2017

De dood van een storyteller, mijn vader

Vannacht is mijn vader overleden, hij zou in juni 100 worden. Hij voelde zich gisteravond niet goed, maar ging gewoon naar bed. De nachtbroeder trof hem bij zijn tweede ronde dood aan. Mijn dementerende moeder in het andere bed sliep vredig door alles heen. Uiteindelijk ontwaakte ze, maar het overduidelijk dode lichaam van haar man leek geen emotie op te roepen, hoewel ze er aandachtig naar keek. Mijn broer, mijn zoon en ik speurden op haar gezicht naar tekens van gevoel of tenminste begrip. Tevergeefs. Het had een scène kunnen zijn in mijn boek.        



Stoere Vikingen
Het schrijven, of beter het vertellen, heb ik van mijn vader. Niet dat hij ooit romans las: wat je schreef, moest namelijk “kloppen”. Hij was een echte storyteller. Zijn verhalen waren gebaseerd op feiten of  realistische aannames. Maar met deze grondstoffen ging hij vrijmoedig om. Zo  bouwde hij een grote genealogische database op die alle Nooren’s tot 1500 terugvoerde naar een dorpje bij Breda. In Breda was rond het jaar 1000 een sterkte van de Noormannen. Uit deze feiten concludeerde mijn vader dat de brave familie Nooren moest afstammen van de stoere Vikingen, van wie een aantal uit Noorwegen kwam. Een mooi verhaal om mee opgevoed te worden. Zeker omdat ik van grootmoeders kant afstam van Karel de Grote.
Adel en biggetjes
Mijn vader wist van alles een verhaal te maken. De nederige bodes op zijn saaie kantoor waren een mysterieuze Baron en een Graaf. Zijn cliënten waren hoofdpersonen in levensdrama’s. Ik herinner me hoe mijn vader vertelde over een ziekelijke man die zijn baan en zijn vrouw kwijtraakte en uiteindelijk alleen een biggetje over had (het was op het platteland). Maar net voordat mijn vader langskwam was ook dat biggetje door onbekende oorzaak overleden.

Vastgoedmoordenaars  
Aan het einde van zijn leven keerde zijn fantasie zich tegen hem. Het personeel werd een werktuig van vastgoedspeculanten. Die wilden op het terrein van zijn bejaardenhuis een hotel bouwen voor de bezoekers van het naburige Internationaal Strafhof. Hij en de andere bewoners moesten eerst worden geruimd. Moordinstrumenten waren brood met te harde korstjes en – voor de weinige mannen - het weghouden van jazz uit het entertainmentprogramma. Eén wanhopige bewoner had zelf een jazzorkest benaderd, maar tijdens de reis onwel geraakt en luttele weken later overleden. Een ander bewijs: de enige andere mannelijke bewoner zocht contact met mijn vader. Die begreep meteen dat de man een spion was van de vastgoedboeven. Zulke achtervolgingswanen werden steeds sterker. Gelukkig heeft de dood hem bevrijd.